Zum Hauptinhalt springen

G04: Toetsing doorsnede

FAQs over het onderwerp G Toetsing doorsnede

Hoe bepaal ik de stootbelasting op een balustrade bij een kantoorgebouw?

Een kantoorgebouw heeft een vide over drie bouwlagen met een balustrade langs de randen. NEN 6702 geeft regels in art. 8.2.6 (vloerafscheidingen ter plaatse van een hoogteverschil) en in art. 9.6 (stootbelasting op afscheidingen ter plaatse van een hoogteverschil) om dergelijke balustraden te berekenen. De horizontale belasting op de balustrade in art. 8.2.6, tabel 9 is echter vele malen lager dan die in art. 9.6.2 en 9.6.3. Heeft een berekening volgens art. 8.2.6 dan nog wel zin, of is een berekening op stootbelasting niet altijd noodzakelijk?

Het berekenen van vloerafscheidingen op bijzondere belastingen (stootbelasting volgens NEN 6702, art. 9.6.2 of 9.6.3) moet worden beschouwd als een aanvulling op de berekening op veranderlijke belastingen volgens NEN 6702, art. 8.2.6. Het uitgangspunt bij een berekening volgens art. 9.6.2 en 9.6.3 is dat de constructie de volledige energie opneemt en dat het botslichaam oneindig stijf is. Dit heeft als gevolg dat de berekening een conservatiever resultaat oplevert dan de toetsing van een dynamische belasting met een lichaam dat wel botsenergie absorbeert.

Het is voor alle betrokkenen in een project van belang om in de voorbereidingsfase van de bouw al te weten of een vloerafscheiding voldoet aan de sterkte-eisen volgens NEN 6702. Vaak vraagt bouw- en woningtoezicht hiervoor een berekening. Het ontbreken van een controle door middel van een sterkteberekening vooraf veroorzaakt in de praktijk regelmatig problemen, met name wanneer voor de vloerafscheiding glas wordt gebruikt.

Voor de fundamentele belastingcombinaties met veranderlijke belastingen (puntlast en lijnlast) leidt een sterkteberekening doorgaans tot acceptabele afmetingen van de balustrade. Een berekening met de bijzondere belasting (statisch equivalent van de stootbelasting) levert veelal buitenproportionele afmetingen op. Een belastingproef met een zak glaskogeltjes leidt bijna altijd wel tot acceptabele afmetingen. Bedenk echter dat het resultaat van een enkele belastingproef niet rechtstreeks mag worden vergeleken met de inhoud van NEN 6702, omdat ook met de statistiek rekening moet worden gehouden. De herziene versie van TNO-Bouw-rapport B92-1143 (april 2004) bevat aanwijzingen voor het uitvoeren van de proeven en het rekening houden met de statistiek. In de praktijk is gebleken dat indien vooraf met een berekening is aangetoond dat wordt voldaan aan de fundamentele belastingcombinaties de constructie doorgaans niet bezwijkt bij een belastingproef met de zak met glaskogeltjes, afhankelijk van de afmetingen van de constructie. Art. 9.6.2 en art. 9.6.3 van NEN 6702 maken geen deel uit van het Bouwbesluit 2003, maar zijn conservatieve benaderingen van art. 9.6.1 die wél deel uitmaakt van het Bouwbesluit 2003. De aanvrager van de bouwvergunning moet aannemelijk maken dat zijn oplossing aan het Bouwbesluit 2003 zal voldoen. Een gemeente kan een berekening niet afdwingen, maar de aanvrager moet dan op andere wijze aantonen dat de stootbelasting kan worden doorstaan. Er is nog een tweede cruciaal verschil tussen de belastingen uit hoofdstuk 8 en die uit hoofdstuk 9 van NEN 6702. In hoofdstuk 9 gaat het om een belasting die na eenmalig optreden mag leiden tot zodanige beschadingen en vervormingen dat herstel en reparatie daarna binnen de referentieperiode als gewoon wordt beschouwd. Daarentegen mag een belasting volgens hoofdstuk 8 gedurende de gehele referentieperiode niet leiden tot bezwijken. Dat laatste mag echter wel indien de constructie tijdig waarschuwt en vervangbaar is en wanneer daarover in het kader van de bouwvergunningverlening nadere afspraken zijn gemaakt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 199 (december 2007).

Hoe kunnen trekkrachten in doorhangende dakliggers, als gevolg van brand, worden bepaald?

Een bedrijfsverzamelgebouw bestaat uit een aantal geschakelde bedrijfsruimten (aparte brandcompartimenten). De staalconstructie bestaat uit kolommen, die 60 minuten brandwerend zijn bekleed, en onbeschermde dakliggers die doorgaand zijn uitgevoerd. De eerste en de laatste bedrijfsruimte zijn volledig gestabiliseerd met windverbanden in dak en gevels. Bij brand in een tussen-bedrijfsruimte ontstaan trekkrachten in de dakliggers door het doorhangen van de vervormde constructie. Hoe zijn deze trekkrachten te bepalen, zodat kan worden getoetst of de brandwerendheid van de staalconstructie van de overblijvende bedrijfruimten voldoende is?

Het is lastig om exact de horizontale belasting door de doorhangende liggers bij brand te bepalen. Door het doorhangen van de verwarmde liggers ontstaat er membraanwerking in het brandcompartiment, waarbij de warme liggers aan beide kanten worden vastgehouden door de koude delen van de doorgaande liggers. De zuivere liggertheorie is dan niet meer van toepassing. Een indicatie (bovengrens) van de horizontale belasting kan worden verkregen door de vervorming van de warme liggers te schatten. Daarbij loopt de reactiekracht door de werklijn van de staaf (vergelijk een doorhangende waslijn). De reactiekracht is dan te ontbinden in een verticale en een horizontale component. De vervorming van de warme liggers kan worden bepaald met een gereduceerde elasticiteitsmodulus volgens NEN-EN 1993-1-2, art. 3.2.2. De lengteverandering van de ligger bij brand is te berekenen met art. 3.4.1.1. Indien de hoekverdraaiing bij de opleggingen bekend is, kan vervolgens de horizontale component worden bepaald.

De in rekening te brengen belastingen moeten zijn ontleend aan NEN-EN 1990, in samenhang met de diverse delen van NEN-EN 1991 en de bijbehorende nationale bijlagen. De hier beschreven aanpak is uitsluitend toegestaan indien de gehele constructie ook bij de andere belastinggevallen (anders dan alleen brand) volgens de Eurocode is uitgerekend.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 201 (april 2008).

Moet ik voor de treksterkte en vloeispanning NEN 6770 of NEN-EN 10025 aanhouden?

NEN 6770 en NEN-EN 10025 geven beide waarden voor de treksterkte en voor de vloeispanning van constructiestaal. Voor S235 bijvoorbeeld geeft NEN 6770, art. 9.1.2.1.1, tabel 2 voor een plaatdikte van 10 mm een treksterkte van 360 N/mm2. Echter NEN-EN 10025-2, tabel 7 geeft bij dezelfde dikte een treksterkte tussen 360 en 510 N/mm2. Welke waarde(n) moet ik nu aanhouden voor de treksterkte en de vloeispanning in berekeningen?

Voor de treksterkte in een berekening moet altijd de waarde volgens NEN 6770, tabel 2 worden aangehouden. Voor de vloeispanning mag onder voorwaarden ook de waarde uit NEN-EN 10025, tabel 7 worden toegepast. Voor de treksterkte is geen hogere waarde dan de waarde uit NEN 6770, tabel 2 toegestaan. Voor de vloeispanning is wel een eventuele hogere waarde toegestaan volgens NEN-EN 10025, tabel 7. Deze hogere waarde is echter uitsluitend toegestaan wanneer bij een partij staal een certificaat wordt meegeleverd waarop de toegepaste vloeispanning wordt gegarandeerd. In de praktijk is dit niet erg handig, omdat de constructeur in het ontwerpproces doorgaans (nog) niet weet wie het staal levert en wat de gegarandeerde vloeispanning is.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 197 (augustus 2007).

Moet een dakplaat worden beschouwd met één veld belast en één veld onbelast?

Een stalen dakplaat heeft een oppervlak van minder dan 10 m2 en overspant meer dan één veld. Moet de veranderlijke belasting volgens NEN 6702 art. 8.2.5.2 nu op het gehele oppervlak van de dakplaat worden geplaatst of moet ook de situatie worden beschouwd waarbij één veld belast is en één veld onbelast?

Nee. De situatie waarin slechts één veld is belast hoeft niet te worden beschouwd en Bouw- en Woningtoezicht mag dat ook niet afdwingen. De grootte van het oppervlak waarop de veranderlijke belasting werkt hangt uitsluitend af van de grootte van het constructiedeel (in dit geval de dakplaat). Wanneer dat oppervlak minder is dan 10 m2 en twee of meer velden overspant, moet de gehele dakplaat belast worden uitgerekend volgens NEN 6702 art. 8.2.5.2.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 190 (juni 2006).

Hoe moet de kraanbelasting worden gecombineerd met de windbelasting?

In een nieuw te ontwerpen fabriekshal moet een kraanbaan komen. Op welke wijze moet de kraanbelasting worden gecombineerd met de windbelasting?

De kraanbelasting zelf moet worden bepaald volgens NEN 2018. In de uiterste grenstoestand gelden de fundamentele belastingscombinaties volgens art. 6.4.2 van NEN 6702. Eén extreme veranderlijke belasting wordt hierbij gecombineerd met de overige momentane veranderlijke belastingen. De combinatiefactor bij wind is y = 0 volgens art. 8.6.1.2. In de belastingcombinatie met de extreme kraanbelasting is de windbelasting derhalve op 0 te stellen. In de belastingcombinatie met de extreme windbelasting moet worden gerekend met de momentane kraanbelasting, die volgens art. 8.4.4 afhangt van het belastingspectrum. De combinatiefactor y is hierbij gelijk gesteld aan de lastspectrumfactor volgens art. 3.2.3 van NEN 2018 (zie tabel).

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 146 (februari 1999).

Bij welke afmetingen van een staalconstructie zijn dilataties eigenlijk nodig?

Wanneer een staalconstructie te groot wordt, is een dilatatie op zijn plaats. Bij welke afmetingen zijn dilataties eigenlijk nodig?

Er bestaan in Nederland geen specifieke richtlijnen voor maximale constructie-afmetingen voor dilataties. De reden is dat dit onderdeel van een constructief ontwerp in principe wordt afgeschermd door de regelgeving op het gebied van de bruikbaarheidsgrenstoestand, zoals beschreven in NEN 6702, art. 10. Het type constructie en de aanvaardbaarheid van een bepaalde scheefstand bepalen verder de toelaatbare afmetingen van een gebouw met een staalconstructie.

In een publicatie van het Engelse Steel Construction Institute uit 1991 is een deel gewijd aan de problematiek van dilataties. Hierin staat een tabel met aanbevelingen voor het ontwerpen van dilataties bij verschillende gebouwtypen met een stalen constructie. Deze tabel is hier vertaald weergegeven.

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 140 (februari 1998).

Waarom moet de 1e orde elastische krachtsverdeling van liggers in ongeschoorde raamwerken worden aangepast?

Volgens NEN 6770, art. 10.2.6.1, moet de eerste-orde elastisch bepaalde krachtsverdeling voor liggers in ongeschoorde raamwerken worden aangepast voordat kan worden overgegaan tot toetsing. Waarvoor dient deze aanpassing en is dat altijd nodig?

Voor het bepalen van de krachtsverdeling in de constructie geeft NEN 6770 vier rekenmodellen. Eén hiervan is het eerste-orde elastische rekenmodel. Hierbij wordt uitgegaan van een lineair elastisch materiaalgedrag en wordt het evenwicht geformuleerd in de onvervormde toestand. Dit rekenmodel wordt gebruikt in verreweg de meeste raamwerkprogramma s.

Een nadeel van deze rekenmethode is dat de krachtsverdeling in de uiterste grenstoestand en in de bruikbaarheidsgrenstoestand (dus de krachtsverdeling tijdens het gebruik) kan afwijken van de krachtsverdeling die is bepaald volgens de eerste-orde elasticiteitstheorie. Voor ongeschoorde raamwerken is dit bijvoorbeeld het geval. In de grenstoestand zullen de verplaatsingen (en dus ook de krachten en momenten) over het algemeen een factor n/(n 1) groter zijn dan volgend uit een eerste-orde elastische berekening.

De kolommen en liggers in een raamwerk moeten zo zijn gedimensioneerd dat ze de krachten en momenten inclusief de vergrotingsfactor kunnen weerstaan. Voor kolommen is dat al verwerkt in de toetsingsformules voor op druk en op druk en buiging belaste staven volgens hoofdstuk 12. Voor liggers is deze aanpassing echter niet verwerkt in de toetsingsregels. Vandaar dat een aanpassing is vereist. Volgens NEN 6770, art. 10.2.6.1.1, geldt hiervoor:

[afb. a]

Fv;tot;d is de totale verticale rekenbelasting waarvoor de kolom de stabiliteit moet verzorgen. De eerste term in de formule voor Mst;s;d verwerkt de vergroting van de krachten en momenten met een factor 1/(n 1). De tweede term verwerkt de steun die de ligger aan de kolom moet geven, zodat de kolom gebruik kan maken van de steun door de ligger (bijvoorbeeld voor het bepalen van de kniklengte).

De aanpassing van de krachtswerking in de ligger is dus altijd vereist. De invloed van deze aanpassing wordt groter naarmate de factor n/(n 1) groter is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij volledig uitgenutte kolommen. Voor niet-volledig uitgenutte kolommen is de aanpassing vaak gering, waardoor wellicht de indruk wordt gewekt dat de aanpassing overbodig is. Deze indruk is dus niet terecht.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 141 (april 1998).

Wat is de waarde van a bij punlast voor bepaling van eigenfrequentie volgens NEN 6702?

Voor het bepalen van de eigenfrequentie van een ligger geeft figuur 35 in bijlage A4 van NEN 6702 de getalwaarde a van de trillingsversnelling loodrecht op de ligger, waarbij de massa gelijkmatig over de lengte is verdeeld. Wat is nu de waarde van a voor een puntlast die in het midden aangrijpt?

Voor een gelijkmatig verdeelde massa en een vrij opgelegde ligger geldt a = 0,315 m/s2. Deze waarde geldt ook indien de belasting niet gelijkmatig maar via een puntlast aangrijpt. De wijze waarop de (momentane veranderlijke) belasting aangrijpt heeft slechts invloed op de uitbuiging d. De eigenfrequentie fe wordt bepaald uit

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 150 (oktober 1999).

Wat wordt in figuur 11 van NEN 6770 verstaan onder Fvert;s;d?

NEN 6770, art. 10.1.3.2.3, introduceert in figuur 11 van de toelichting de belasting Fvert;s;d. Wat wordt hier precies onder verstaan?

[afb. a]

In de vorige TGB-Staalconstructies (NEN 3851) is stilzwijgend aangenomen dat geschoorde raamwerken zodanig stijf worden geschoord, dat ze mogen worden beschouwd als star geschoord.

Indien de schoren bijvoorbeeld te licht worden gedimensioneerd kan de zijdelingse verplaatsing van het raamwerk aanzienlijk zijn. Daarom onderscheidt NEN 6770 star en flexibel geschoorde raamwerken.

Een raamwerk is star geschoord, indien u1;el/h < 0,1, waarin h de verdiepinghoogte is. De eerste-orde zijdelings uitwijking u1;el moet worden bepaald met een fictief belastinggeval, waarbij de verticale belasting Fvert's'd horizontaal tegen het raamwerk wordt geplaatst. Tot de verticale belasting behoort niet alleen het eigen gewicht, maar ook de veranderlijke verticale belasting en eventuele aanpendelende belasting.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 123 (april 1995).

Is het middelste portaal van een geschoorde hal het maatgevende portaal vanwege de grootste verplaatsing?

In een hal met portalen en met een langsstabiliteitsverband is elk van deze portalen een geschoord raamwerk. Is nu het middelste portaal voor deze hal het maatgevende raamwerk, omdat daar uI;el het grootst is? Moet er bij de bepaling van uI'el tevens rekening worden gehouden met gatspeling?

En zo ja, op welke wijze? Is toetsing in NEN 6770 op ul;el eigenlijk niet overbodig, aangezien NEN 6702, art. 10.3, al een eis stelt aan de totale horizontale doorbuiging?

Toetsing van een geschoord raamwerk aan NEN 6770, art. 10.1.3.2.3, heeft onder meer de volgende consequenties met betrekking tot tweede-orde effecten:

- bij een star geschoord raamwerk hoeft hiermee geen rekening te worden gehouden;

- bij een flexibel geschoord raamwerk moet hiermee wél rekening worden gehouden, zie ook NEN 6771, art. 10.2.6.1.3.

Het langsstabiliteitsverband in het dak verzorgt de dwarsstabiliteit van de hal, samen met bijvoorbeeld windbokken in de kopgevels. Dit langsverband is dan een vakwerkligger op twee steunpunten (de windbokken). Onder invloed van een horizontale belasting is de doorbuiging dan in het midden het grootst. Deze doorbuiging is inderdaad maatgevend voor de bepaling van u1;el en daardoor voor de classificatie van de portalen.

Afhankelijk van de stijfheid van bedoelde vakwerkligger, kunnen de meeste portalen star geschoord zijn en enkele portalen flexibel geschoord. Het is overigens raadzaam dit verschil in classificatie om praktische redenen te voorkomen door het langsstabiliteitsverband zo stijf te maken dat alle portalen star geschoord zijn.

Bij de bepaling van u1;el hoeft niet te worden gerekend op gatspeling, omdat deze voor elk boutgat willekeurig is gericht. In de norm wordt daarom gatspeling niet genoemd. In de praktijk maakt men doorgaans elke diagonaal in het windverband enkele millimeters korter dan de theoretische lengte. Tijdens de montage worden daardoor de afzonderlijke staven in het dak strak tegen elkaar aan getrokken.

NEN 6702, art. 10.3, stelt een eis aan de totale horizontale doorbuiging van de hal, bijvoorbeeld h/150 voor een industrieel gebouw. Hierin is h de hoogte van de gevel. Deze eis heeft uitsluitend betrekking op een werkelijk aanwezige of optredende belasting. Dat is niet het geval bij de bepaling van u1;el waar met een fictieve horizontale kracht wordt gerekend!

Beide toetsingen van de horizontale doorbuiging zijn dus noodzakelijk, omdat de eisen betrekking hebben op twee totaal verschillende aspecten. De toetsing volgens NEN 6770 heeft betrekking op de grootte van het tweede-orde effect en de toetsing volgens NEN 6702 op de bruikbaarheid van het gebouw.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 123 (april 1995).

Moet altijd worden gerekend met botskrachten en mag een beschermingsconstructie worden meegeteld?

NEN 6702, art. 9.4.2, geeft aan op welke wijze botskrachten kunnen worden berekend. Moet altijd worden gerekend op dergelijke krachten en in hoeverre wordt de invloed van een beschermingsconstructie in rekening gebracht?

Bijzondere belastingen - en dat zijn botskrachten kenmerken zich in het algemeen door grote of rampzalige gevolgen, gekoppeld aan een kleine kans van optreden. De bedoeling van het in rekening brengen van bijzondere belastingen is niet zozeer om de constructie tegen dergelijke belastingen bestand te maken, maar vooral het beperken van de gevolgen. Hierbij moet met name worden gedacht aan het voorkomen van voortgaande instorting. Dit doel kan op verschillende wijzen worden bereikt:

- of het bouwwerk zodanig ontwerpen dat voortgaande instorting wordt voorkomen (tweede draagweg);

- of het bouwwerk zo sterk en stijf maken dat de te verwachten bijzondere belasting kan worden opgenomen;

- of maatregelen treffen, waardoor de bijzondere belasting niet kan optreden, dan wel minder effect heeft.

De belasting die optreedt als gevolg van een botsing hangt onder meer af van de massa en de snelheid van het voertuig, van de mate waarin het voertuig en de constructie kunnen vervormen en van de afstand tussen de rijweg en de constructie. De invloed van de massa en de snelheid ligt vast in één parameter, namelijk de kinetische energie EK;vr van het voertuig.

Bij een constante remvertraging is de energie van het voertuig rechtevenredig met de afgelegde weg (NEN 6702, figuur 14). Hiermee ontstaat een eenvoudig model, waarmee de invloed kan worden bepaald van de afstand Svb tussen de rijweg en de constructie op de hoeveelheid energie EK;vb van het voertuig op het moment van botsen. De grootte van de botskracht volgt uit de gegeven formule in art. 9.4.2 van NEN 6702.

Echter door het plaatsen van een vangrail of een soortgelijke beschermingsconstructie kan de botskracht worden gereduceerd. De hoeveelheid energie die het voertuig had op het moment van botsen met de vangrail wordt verminderd met:

- de hoeveelheid energie die de vangrail kan opnemen, en

- de in het voertuig door vervorming opgenomen energie.

De in de vangrail opgenomen hoeveelheid energie EK;bc;l is bij de fabrikant bekend, of kan worden geschat met behulp van de plasticiteitsleer. De in het voertuig opgenomen hoeveelheid energie volgt uit:

[afb. a]

Hierin is Fv de bezwijkkracht van de vangrail en c de veerconstante van een voertuig, waarvoor kan worden aangehouden c = 280 kN/m. De totale hoeveelheid energie die de beschermingsconstructie absorbeert, is dan EK;bc = EK;bc;l + EK;bc;2.

Met deze aanpak hangt het af van zowel de situatie als van het constructieve ontwerp, welke krachten in rekening dienen te worden gebracht.

Wanneer er voor wordt gekozen om het bouwwerk de bijzondere belasting te laten opnemen, dan dient deze krachtswerking ook door de gehele constructie te worden doorgerekend, inclusief de fundering.

Voorbeeld. Een personenauto op een binnenplaats kan tegen een kolom botsen. De kolom wordt echter beschermd door een vangrail met een opneembare hoeveelheid energie (volgens opgave fabrikant) van 8,0 kNm.

De bezwijklast van de vangrail bedraagt 50,0 kN. De in rekening te brengen botsbelasting op de kolom volgt dan uit:

[afb. b]

De botskracht Frep grijpt op de kolom aan op 0,5 m boven het niveau van het rijvlak.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 122 (februari 1995).

Mogen onderdelen van constructie worden ingedeeld in lagere veiligheidsklasse? En wat is de referentieperiode?

Voor een gebouw dat volgens tabel 1 van NEN 6702 wordt ingedeeld in veiligheidsklasse 2 of 3, mogen onderdelen van de constructie in een lagere veiligheidsklasse worden ingedeeld. Zie art. 5.1.1 t/m 5.1.3. Op welke referentieperiode moeten in dat geval de onderdelen worden berekend?

In het algemeen hangt de indeling van een bouwwerk in een veiligheidsklasse af van de gevolgschade die ontstaat bij een eventuele calamiteit. Een industrieel gebouw bijvoorbeeld mag conform NEN 6702 worden ingedeeld in veiligheidsklasse 2. Desondanks is het zeer gebruikelijk bepaalde industriële gebouwen in klasse 3 in te delen in verband met de grote gevolgschade. Wanneer de betreffende constructie-onderdelen bij bezwijken geen aanleiding geven tot bezwijken van de hoofddraagconstructie en tevens wordt voldaan aan de voorwaarden in NEN 6702, art. 5.1.2 en 5.1.3, mag het betreffende onderdeel worden ingedeeld in een lagere veiligheidsklasse. Dit geldt echter niet voor de bijbehorende referentieperiode: deze blijft gelijk aan die van de hoofddraagconstructie.

Of het zinvol is om voor onderdelen met lagere veiligheidsfactoren te rekenen, valt te betwijfelen. In de praktijk blijkt dat de bruikbaarheidsgrenstoestand dan vaak maatgevend wordt voor de uiteindelijke dimensionering.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 119 (augustus 1994).

Wordt een kolom in een geschoorde constructie die scharnierend is verbonden aan een ligger altijd centrisch belast?

Volgens art. 10.1.2 van NEN 6770 vindt de schematisering van de constructie plaats in de systeemlijnen. Betekent dat bijvoorbeeld dat een kolom in een geschoorde constructie die scharnierend is verbonden aan een ligger per definitie altijd centrisch wordt belast?

[afb. a]

De stijfheid van de verbinding beïnvloedt de schematisering van de constructie. In de praktijk zal elke verbinding een moment opnemen, afhankelijk van de belasting, de stijfheid van de verbinding en de verhouding van de rotatiestijfheid van de aansluitende delen.

Met voldoende slappe verbindingen, zoals geboute hoekstalen of dunne kopplaten, kan er feitelijk een scharnier ontstaan. Het is gebruikelijk dit scharnier bij de globale schematisering in het snijpunt van de systeemlijnen aan te nemen. De kolom wordt dan inderdaad centrisch belast.

De verbinding zit zelden precies in het snijpunt van de systeemlijnen. Bij de aangegeven schematisering moet de verbinding daarom ook een, meestal gering, excentriciteitsmoment overbrengen. Bij een hoekstaalverbinding moeten de bouten en ook het lijf van de balk dit moment kunnen opnemen. Voor het opnemen van de combinatie van dwarskracht en buigend moment is voor het lijf van de balk niet meer materiaal beschikbaar dan voor afschuiving volgens NEN 6770, art. 13.3.4.3. Dit geeft een afbakening van de toepassing van deze schematisering bij hoekstaalverbindingen. Voor het ontwerp en de berekening van eenvoudige 'dwarskrachtverbindingen' wordt verwezen naar een Engelse publikatie van het Steel Construction Intitute uit 1991: 'Joints in simple construction. Vol. I. Design methods'.

Als bij de globale schematisering het scharnier exact ter plaatse van de verbinding wordt aangenomen, ontstaat er in de kolom een excentriciteitsmoment. Dit geldt voor verbindingen met zowel hoekstalen als kopplaten. Dit excentriciteitsmoment is in het algemeen klein. Alleen bij zeer slanke kolommen en zware liggers (bijvoorbeeld een HEA 140 met een IPE 600) leidt dat er toe dat de kolom zwaarder moet worden uitgevoerd dan bij een zuiver centrische belasting.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 117 (april 1994).

Moeten de kolommen bij het wegvallen van één brandcompartiment worden berekend op buiging door windbelasting?

Een bedrijfshal zonder inpandige vloer bestaat uit twee brandcompartimenten. De inpandige brandscheiding is een brandwand met aan beide zijden een rij stalen kolommen. Bij het wegvallen van één compartiment worden de kolommen naast de brandwand van het overblijvende compartiment belast op wind. Moeten deze kolommen worden berekend op buiging door windbelasting?

Bouw- en woningtoezicht moet bij de vergunningverlening het gebouw en dus ook de staalconstructie beoordelen zoals het wordt gebouwd, dus met beide compartimenten intact. Dit betekent dat de brandwand als inwendige scheidingsconstructie op wind (overdruk) moet zijn berekend volgens NEN 6702, art. 8.6.4.4.

De hal heeft geen vloer die hoger ligt dan 5 m boven maaiveld. Er geldt daarom geen brandwerendheidseis voor de hoofddraagconstructie. Bovendien is er volgens NEN 6702 geen hoofddraagconstructie wanneer bij bezwijken van één brandcompartiment het andere brandcompartiment intact blijft bij de bijzondere belastingcombinatie brand . In deze bijzondere belastingcombinatie en de uitwerking daarvan volgens NEN 6702 art. 9.2 geeft de factor aan met welk percentage van de windbelasting rekening moet worden gehouden. Dit is 20% voor onderdelen van de hoofddraagconstructie en 0% voor andere constructies (van bijvoorbeeld een gevel of een brandwand).

In deze situatie hoeft bij het belastinggeval brand dus geen wind in rekening te worden gebracht (geen eis op grond van Bouwbesluit (2003) afdeling 2.2 (sterkte bij brand).

Op het moment dat door een brand een gedeelte van een gebouw is weggevallen, moet Bouw- en woningtoezicht beoordelen of het overgebleven bouwwerk nog voldoende sterk is. Welke berekening er moet worden gemaakt hangt mede af van de wijze waarop de eigenaar of gebruiker het gehavende gebouw in die staat nog wil gebruiken en voor hoe lang. Ten minste moet zijn voldaan aan het Bouwbesluit 2003 par. 2.1.2 (sterkte van een bestaande bouwconstructie), maar de gemeente kan in bijzondere situaties een hoger niveau voorschrijven (Woningwet art. 13). De TNO-rapporten 2004-CI-R0159 en 2008-CI-D-0015/B geven aan hoe daarmee kan worden omgegaan. Deze rapporten vormen de achtergrond van de voorschriften die bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 zijn gegeven. Het eerste rapport is te bestellen bij TNO Bouw en Ondergrond: tel. (015) 2763083. Het tweede rapport uit 2008 is nog in concept en komt pas beschikbaar wanneer NEN 8700 is afgerond.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 203 (augustus 2008).

Is controle op de krachtsinleiding volgens de Eurocode niet meer noodzakelijk?

Een staalskelet voor een kantoor bestaat per bouwlaag uit doorgaande stalen vloerliggers, ondersteund door stalen kolommen. De staalconstructie wordt berekend met de Eurocode. Onder meer moet worden gecontroleerd of er in de ligger verstijvingen nodig zijn ter plaatse van de krachtsinleiding bij de kolommen. Bij een berekening volgens de TGB 1990 geeft NEN 6770 in hoofdstuk 14 (Krachtsinleiding bij opleggingen en puntlasten) hiervoor de toetsingsformules. In de Eurocode met name NEN-EN 1993-1-1 ontbreken vergelijkbare formules. Betekent dit dat controle op de krachtsinleiding volgens de Eurocode niet meer noodzakelijk is?

Nee. Er moet ook bij gebruik van de Eurocode wel degelijk een controle van de krachtsinleiding plaatsvinden. Alleen ontbreken hiervoor de formules in NEN-EN 1993-1-1. Echter de Nationale Bijlage bij deze norm verwijst hiervoor in art. 6.1 naar hoofdstuk 14 uit NEN 6770. In de praktijk betekent dit dus dat de toetsing van de krachtsinleiding niet verandert met de komst van de Eurocode.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 208 (april 2009).

De Eurocode verwijst naar TGB-normen. Wat gebeurt er als de TGB-normen worden teruggetrokken?

De Nationale Bijlage van NEN-EN 1993-1-1 bijvoorbeeld geeft op meerdere plaatsen aan dat een constructie of een onderdeel daarvan ook moet worden getoetst aan NEN 6770 en NEN 6771. Welke situatie ontstaat er straks wanneer de TGB 1990 wordt teruggetrokken? Worden de betreffende artikelen uit NEN 6770 en andere TGB-normen dan integraal opgenomen in een wijzigingsblad op de Nationale Bijlage? Of komen deze toetsingen alsnog te vervallen?

Op dit moment verwijst de Nationale Bijlage van een Eurocode-deel nog naar specifieke hoofdstukken of artikelen van andere normen, zoals die uit de serie TGB 1990. De bedoeling is dat de inhoud van die hoofdstukken of artikelen waar naar wordt verwezen wordt opgenomen in een aparte norm. Tevens wordt de tekst daarvan aangepast, zodat onder meer de terminologie en parameters overeenstemmen met die in de Eurocode. Deze restnorm moet beschikbaar zijn op het moment dat de TGB 1990 officieel wordt ingetrokken. Op dat moment moeten ook in administratieve zin de Nationale Bijlagen zijn aangepast om de verwijsketen sluitend te maken.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 208 (april 2009).

Een vakwerk bestaat uit aan elkaar gelaste staven. Mogen de knopen als scharnieren worden aangenomen?

Een vakwerk bestaat uit een doorgaande onder- en bovenrand met verticale en diagonale wandstaven. De wandstaven worden momentvast aan de randstaven gelast. Het vakwerk moet worden getoetst volgens de Eurocode. Mag voor het bepalen van de krachtsverdeling worden aangenomen dat alle knopen scharnierend zijn, zodat voor de toetsing van het vakwerk uitsluitend rekening hoeft te worden gehouden met normaalkrachten en niet met momenten?

NEN-EN 1993-1-8, art. 5.1.5 geeft de bepalingen voor de algemene berekening van vakwerken. Bij het bepalen van de verdeling van de normaalkrachten in een vakwerk mag ervan zijn uitgegaan dat de staven zijn aangesloten door scharnieren. Tabel 5.3 uit NEN-EN 1993-1-8 geeft een overzicht van de in rekening te brengen momenten.

De draagkracht van een vakwerk hangt in belangrijke mate af van de normaalkrachten; immers het aandeel van buiging in de draagkracht is gering. Toch kunnen er buigende momenten optreden die zijn te onderscheiden in:

secundaire momenten;

momenten door een dwarse belasting;

excentriciteitsmomenten.

Secundaire momenten ter plaatste van de verbindingen, veroorzaakt door de rotatiestijfheid van de verbindingen, mogen worden verwaarloosd (behalve bij een vermoeiingsberekening) in zowel de berekening van de staven als de berekening van de verbindingen mits de verbindingen voldoende rotatiecapaciteit bezitten. Dit is het geval wanneer wordt voldaan aan de volgende twee criteria:

de geometrie van de verbindingen voldoet aan een bepaald geldigheidsgebied aangegeven in tabellen;

de staven in het vakwerk zijn niet gedrongen, dat wil zeggen dat voor de verhouding tussen de lengte en de diameter van de staven geldt /d 6 (voor vakwerkstaven in gebouwen).

Momenten door dwarse belastingen op het vakwerk (bijvoorbeeld belasting op de randstaven tussen de knopen) moeten altijd in rekening worden gebracht. Wanneer aan de bovengenoemde twee criteria wordt voldaan, geldt:

de wandstaven mogen zijn beschouwd als scharnierend aangesloten aan de randstaven, zodat de momenten door de dwarse belasting niet in de andere wandstaven doorwerken;

de randstaven mogen zijn beschouwd als doorgaande liggers met eenvoudige opleggingen ter plaatse van de knooppunten. Ook kunnen er momenten optreden die voortkomen uit excentriciteiten wanneer de systeemlijnen van de staven niet in één punt samenkomen. In getrokken rand- en wandstaven mogen excentriciteitsmomenten worden verwaarloosd. Deze momenten mogen ook verwaarloosd worden in de berekening van de verbindingen wanneer de excentriciteit e voldoet aan:

0,55h0 e 0,25h0 (rechthoekige buisprofielen);

0,55d0 e 0,25d0 (ronde buisprofielen).

Hierin is h0 (of d0) de hoogte (of diameter) van de randstaaf in het vlak van het vakwerk. De momenten door excentriciteiten moeten altijd in rekening worden gebracht bij drukstaven, ook indien de excentriciteit binnen de hiervoor gegeven begrenzing valt. Dit laatste is een afwijking op de TGB 1990, waarin excentriciteitsmomenten in drukstaven binnen bepaalde grenzen ook mochten worden verwaarloosd. Zie ook het artikel van H.H. Snijder.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 209 (juni 2009).

Mag een handregel van een balustrade worden uitgevoerd als een spankabel en welke belastingen gelden?

Een parkeerdek ligt op een hoogte van +13 m en heeft rondom een betonnen borstwering die eventuele botskrachten opvangt. Boven deze borstwering komt een balustrade van stalen T-profielen met daartussen drie spankabels. De bovenste spankabels lopen op een hoogte waar meestal de handregel zit. Mag een handregel in deze situatie worden uitgevoerd als spankabel? En op welke belastingen moeten de spankabels worden berekend?

Het doel van een balustrade is om te verhinderen dat een persoon of voorwerp naar beneden valt. Het Bouwbesluit 2003 eist niet dat er een handregel aanwezig moet zijn. Een spankabel is een geschikte oplossing, mits de in rekening te brengen belastingen kunnen worden opgenomen en de vervorming van de kabel niet te groot wordt.

Tabel 9 van NEN 6702 geeft een overzicht van de horizontale belastingen op een balustrade (officieel: vloerafscheiding ter plaatse van een hoogteverschil). Daarnaast moet volgens NEN 6702, art. 8.2.6.4 ook rekening worden gehouden met een verticale geconcentreerde belasting. Bij balustraden met spankabels is er ook sprake van een permanente belasting uit voorspanning (NEN 6702, art. 7.3). De doorbuigingseisen in NEN 6702 die overigens niet door het Bouwbesluit 2003 zijn aangewezen zijn voor spankabels niet praktisch gelet op de grootte van de voorspankracht die hieruit zou volgen. Met de opdrachtgever moeten vooraf goede afspraken worden gemaakt over een acceptabele vervorming (doorhang) van de spankabel bij de (geconcentreerde) belasting.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 210 (augustus 2009).

Een te ontwerpen kantoorgebouw telt zestien bouwlagen en is 66 m hoog. In welke gevolgklasse valt dit gebouw?

Een te ontwerpen kantoorgebouw telt zestien bouwlagen en is 66 m hoog. In welke gevolgklasse valt dit gebouw? Volgens tabel B1 van de Nationale Bijlage van NEN-EN 1990 valt het kantoor in gevolgklasse 2 (kantoorgebouw lager dan 70 m). Maar volgens tabel A.1 van NEN-EN 1991-1-7 geldt gevolgklasse 3 (kantoorgebouw met meer dan vijftien bouwlagen, ongeacht de hoogte).

Normtechnisch gezien is dit een onduidelijkheid in de Eurocode. Van belang is het onderscheid tussen de uiterste grenstoestand van een (bouw)constructie (NEN-EN 1990) en de eisen aan de robuustheid voor buitengewone ontwerpsituaties (NEN-EN 1991-1-7).

Het is aan Bouw- en woningtoezicht om te bepalen in hoeverre zij de zwaardere robuustheidseis wil honoreren. Formeel gezien is NEN-EN 1990 van toepassing, omdat deze norm (inclusief de Nationale Bijlage) normatief is en bijlage A bij NEN-EN 1991-1-7 uitsluitend informatief is. Echter de verwijzing in art. 3.4 van NEN-EN 1991-1-7 naar bijlage A is wel normatief met een tekst die beleidsruimte biedt. NEN-EN 1991-1-7 is echter een verbijzondering van een algemeen voorschrift en juridisch gezien komt een verbijzondering een grotere betekenis toe dan een algemeen voorschrift. Daarom kan aan de tekst van NEN-EN 1991-1-7 voor wat betreft robuustheid niet zonder meer voorbij worden gegaan ten faveure van een tabel uit NEN-EN 1990.

Het is goed denkbaar dat de ontwerper een onderscheid maakt in de zwaarte van de risico-afweging, afhankelijk van de situatie en het gebruik van het gebouw. Overigens stelt de norm een minimale eis. Het staat opdrachtgevers en ontwerpers uiteraard vrij de zwaardere eis uit NEN-EN 1991-1-7 aan te houden, mits dat vooraf duidelijk is overeengekomen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 213 (februari 2010).

Moet een dragende kolom worden berekend op een stootbelasting door aanrijding door een voertuig?

Een bedrijfsgebouw met één bouwlaag staat op een bedrijfsterrein met de voorgevel direct aan de weg. In de voorgevel zit een loopdeur, met daarnaast een overheaddeur. Tussen beide deuren staat een dragende kolom. Moet deze kolom worden berekend op een stootbelasting door aanrijding door een voertuig?

NEN-EN 1991-1-7 art. 3.4(2) geeft aan dat een buitengewone belasting - en dat is een stootbelasting - uitsluitend hoeft te worden beschouwd voor bouwwerken die vallen in gevolgklasse CC2 of CC3. Alleen wanneer het bedoelde bedrijfspand in gevolgklasse CC1 valt hoeft de kolom uitsluitend te worden getoetst op zijn dragende functie voor verticale belastingen en eventuele belastingen die te maken hebben met de stabiliteit van de constructie. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat er voorzieningen moeten worden getroffen. Dat hangt af van het effect van het bezwijken van de kolom in termen van slachtoffers en disproportionele schade in verhouding tot oorzaak van het bezwijken. Zo moet de stabiliteit van het gebouw wel verzekerd blijven: zie NEN-EN 1990, art. 2.1(4) en NEN-EN 1991-1-7, art. 3.2(2). Dit betekent dat altijd een afweging moet worden gemaakt tussen de oorzaak en de mogelijke gevolgen. Deze afweging kan per situatie verschillend zijn. Wanneer het bezwijken van een kolom slechts tot een beperkte schade en gevolg leidt - wat vaak het geval is bij een constructie met één bouwlaag - is het bezwijken van de kolom bij een aanrijding ook bij gevolgklasse CC2 en CC3 acceptabel. Wanneer de berekening nog wordt uitgevoerd volgens NEN 6702 (TGB 1990), art. 9.4 moet wel rekening worden gehouden met een belasting door aanrijding (botsing door voertuigen). De in rekening te brengen botskracht hangt onder meer af van de afstand van de weg tot de constructie en van de remweg die het voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 218 (december 2010).

Mag het kantoorgedeelte van een bedrijfshal+kantoor ook worden ingedeeld in veiligheidsklasse 2?

Wij zijn bezig met de dimensionering van de constructie van een bedrijfshal met een aangebouwd tweelaags kantoor. De hal heeft een lichte industriefunctie en valt in veiligheidsklasse 2. Het kantoorgedeelte valt in principe in veiligheidsklasse 3. Mag het kantoorgedeelte, omdat het onderdeel is van de bedrijfshal, nu ook worden ingedeeld in veiligheidsklasse 2?

Nee, indien een bouwconstructie ten dienste staat van twee of meer gebruiksfuncties dan moet die combinatie van veiligheidsklasse en referentieperiode worden beschouwd die leidt tot de bouwkundig zwaarste oplossing (NEN 6702, art. 5.1.1). Indien beide gebruiksfuncties in onafhankelijke bouwconstructies ondergebracht worden, mag voor elke constructie de op de gebruiksfunctie afgestemde combinatie van veiligheidsklasse en referentieperiode gebruikt worden.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (januari 2009).

Wat is de eis voor de horizontale verplaatsing van een portaal bij gebruik van een bovenloopkraan?

In een bedrijfshal met ongeschoorde portalen wordt een bovenloopkraan toegepast. Wat is de eis voor de horizontale verplaatsing van het portaal?

Een ongeschoorde hal met momentvaste ligger/spant-kolomverbindingen of voetinklemmingen of een combinatie van beide is geschikt voor het realiseren van kraanbanen mits de vervormingen begrensd worden. In NEN-EN 1993-6 zijn bruikbaarheidseisen in de vorm van toelaatbare vervormingen weergegeven. De eisen zijn gerelateerd aan het hoogteniveau van de rail en hebben betrekking op de horizontale verplaatsing, het verschil in horizontale verplaatsing tussen twee aangrenzende portalen en het verschil in horizontale en verticale verplaatsing van beide kraanbanen ten opzichte van elkaar. Zo nodig moeten de bruikbaarheidscriteria overlegd worden met de opdrachtgever en de kraanleverancier.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (januari 2009).

Zijn er ook toetsingsregels voor raatliggers volgens de Eurocode?

Er zijn, evenals in de TGB 1990 het geval was, geen specifieke rekenregels voor raatliggers opgenomen in de Eurocode. De toetsing van raatliggers zal op basis van gezond verstand met de aanwezige rekenregels in de Eurocode en de leer der mechanica moeten worden uitgevoerd.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (juli 2009).

Wat is de wrijvingscoëfficiënt tussen staal op beton? Maakt het daarbij ook uit of het staal geverfd is of niet?

Bij voetplaatverbindingen wordt in art. 6.2.2(6) van NEN-EN 1993-1-8 aangegeven dat voor de wrijvingscoëfficiënt tussen staal en zand-cement mortel een waarde van 0,2 aangehouden mag worden. Er worden daarbij geen voorwaarden gesteld aan de hoedanigheid van het staaloppervlak. In art. 6.7.4.2(4) van NEN-EN 1994-1-1 wordt gesproken over een wrijvingscoëfficiënt van 0,5 tussen beton en ongeverfd staal. Bekend is dat de waarde van 0,2 aan de conservatieve kant is waardoor deze waarde een veilige ondergrens afbakent voor de wrijving tussen staal en beton, ongeacht de behandeling van het staal.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (november 2009).

Kan een toezichthouder eisen stellen aan de constructie ten aanzien van redundantie of robuustheid?

Kan een toezichthouder in het kader van constructieve veiligheid eisen stellen aan de constructie ten aanzien van redundantie of robuustheid?

Bij een berekening volgens de Eurocode wordt de robuustheid van een constructie impliciet gewaarborgd. In het algemene deel NEN-EN 1991-1-7 worden er specifieke eisen gegeven voor buitengewone belastingen, zoals ontploffingen. In de norm wordt ook ingegaan op de gevolgen van het lokaal bezwijken van een onderdeel als gevolg van een onbekende oorzaak. Met deze norm heeft de toezichthouder een instrument om robuustheid te eisen.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (december 2009).

Waarom is de berekening van de dwarskrachtcapaciteit volgens de Eurocode conservatiever dan volgens de TGB?

De berekening van de dwarskrachtcapaciteit van H- en I-vormige profielen in de Eurocode is conservatiever dan een berekening volgens de TGB 1990. Wat is hiervan de achtergrond?

De dwarskrachtcapaciteit voor H- en I-vormige profielen in Nederland was afwijkend van andere landen. Bij het opstellen van de Eurocode heeft men een keuze tussen verschillende bepalingsmethoden moeten maken. Er is dus niet voor de Nederlandse methode gekozen. Volgens andere landen waren wij misschien iets te onveilig.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (maart 2010).

Hoe wordt de belasting op een kolom bepaald volgens de Eurocode?

De staalconstructie voor een verdiepinggebouw van vier bouwlagen bestaat uit kolommen en liggers. Voor het berekenen van de belasting op de kolommen op de begane grond was het volgens NEN 6702 (TGB 1990) mogelijk te rekenen met één bouwlaag extreem belast en de overige bouwlagen momentaan belast. Hoe wordt de belasting op de kolom bepaald volgens de Eurocode?

NEN-EN 1991-1-1, art. 6.2.2(2) en 6.3.1.2(11) geeft regels voor het reduceren van de belasting op kolommen en wanden voor boven elkaar gelegen vloeren. De Nationale Bijlage bij deze artikelen geeft voor Nederland aanvullende informatie. De belasting op de kolommen en wanden op de begane grond moet worden bepaald door de hoger gelegen vloeren extreem te belasten en deze belasting vervolgens te reduceren met de factor n.

Inmiddels is gebleken dat het toepassen van de Eurocode en de Nationale Bijlage tot onbedoelde effecten leidt. De reden is dat NEN 6702 uitging van één vloer extreem belast en de Eurocode van twee vloeren extreem belast en de overige vloeren momentaan belast.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 221 (juni 2011).

Kan een kokerkolom die voor de helft vol staat met water leiden tot vorstschade?

Een stalen kokerkolom onder een carport blijkt tijdens onderhoudswerkzaamheden voor de helft vol te staan met water. Kan dit bij vorst tot schade aan de kolom leiden?

Ja. Door het bevriezen van het water kan de kolom ernstig worden beschadigd door opbolling of door langsscheuren in de hoeken. Er zijn in de praktijk meerdere gevallen bekend waarbij waterophoping in een kolom leidde tot aanzienlijke vorstschade. Waterophoping is te voorkomen door onder in de kolom een gat te boren, zodat het water kan wegstromen.

Water of vocht in de kolom kan ook nog een ander probleem veroorzaken, namelijk: corrosie van binnen uit. Bij het afnemen van de wanddikte door corrosie een schade die langzaam en onzichtbaar optreedt neemt de weerstand van de kolom in de loop van de tijd af.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 222 (augustus 2011).

Is het mogelijk voor de berekening van de sterkte van de gevel uit te gaan van een lagere veiligheidsklasse?

Een kantoorgebouw van vier bouwlagen heeft een stalen gevel. Het kantoorgebouw valt volgens de TGB 1990 in veiligheidsklasse 3 en heeft een referentieperiode van vijftig jaar. Is het mogelijk voor de berekening van de sterkte van de gevel uit te gaan van een lagere veiligheidsklasse omdat de gevel geen deel uit maakt van de hoofddraagconstructie? En wat zijn de regels bij een berekening volgens de Eurocode?

De TGB 1990 biedt de mogelijkheid voor onderdelen die geen deel uitmaken van de hoofddraagconstructie in dit geval de gevel uit te gaan van lagere belastingfactoren behorende bij een lagere veiligheidsklasse, maar met eenzelfde referentieperiode. De voorwaarde hierbij is dat de fundamentele belastingcombinatie met als extreme belasting de belasting door personen, meubilair en goederen niet maatgevend is. Wanneer vervolgens het gewicht van de gevel minder bedraagt dan 0,15 kN/m2 mag volgens NEN 6702, art. 5.1.3 worden uitgegaan van veiligheidsklasse 1. Wanneer het gewicht groter is dan 0,15 kN/m2 mag volgens NEN 6702, art. 5.1.4 veiligheidsklasse 2 worden aangehouden.

Bij een berekening volgens de Eurocode gelden andere regels. NEN-EN 1990 definieert in plaats van veiligheidsklassen nu gevolgklassen (CC). Het kantoorgebouw valt dan in gevolgklasse CC2 (overeenkomend met veiligheidsklasse 3). Tabel B1 van de Nationale Bijlage bij NEN-EN 1990 geeft aan dat constructie-elementen mogen zijn ingedeeld in een lagere gevolgklasse dan de constructie waarvan ze deel uitmaken, indien mag worden verwacht dat de gevolgen van bezwijken van een geringere orde zijn. Op basis hiervan kan de gevel in sommige gevallen in gevolgklasse CC1 worden ingedeeld. Aangezien de Nationale Bijlage bij NEN-EN 1990 geen eenduidig voorschrift geeft over de indeling in gevolgklassen, zal hierover in specifieke situaties overleg moeten worden gevoerd met het bevoegd gezag.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 224 (december 2011).

Is 'veiligheidsklasse 3' identiek aan 'uitvoeringsklasse EXC3'?

Het bestek voor een staalconstructie vermeldt dat de constructie moet worden gefabriceerd volgens 'uitvoeringsklasse EXC3' volgens NEN-EN 1090-2. Op de tekeningen staat echter aangegeven 'veiligheidsklasse 3'. Is 'veiligheidsklasse 3' identiek aan 'uitvoeringsklasse EXC3'?

Nee. Veiligheidsklasse 3 is een begrip dat wordt gebruikt in NEN 6700 en NEN 6702. De uitvoeringsklasse EXC3 is een begrip afkomstig uit NEN-EN 1090-2.

De veiligheidsklasse geeft de klasse van bouwwerken (of delen van bouwwerken) aan, waarin per veiligheidsklasse de minimaal vereiste betrouwbaarheidsindex is aangegeven. De uitvoeringsklasse stelt eisen aan de vervaardiging van de constructie en is gerelateerd aan type constructie. Zo zal bijvoorbeeld een eenvoudige loods in EXC1 vallen en een kerncentrale in EXC4. NEN 6700 en 6702 zijn door NEN ingetrokken op 31 maart 2010 (er wordt niet langer onderhoud aan deze normbladen gepleegd) en worden vervangen door NEN-EN 1990 (Eurocode 0) en NEN-EN 1991 (Eurocode 1). Omdat NEN 6702 nog steeds wordt aangestuurd door het Bouwbesluit 2003 (het nieuwe Bouwbesluit 2012 verwijst naar de Eurocodes) wordt NEN 6702 nog veel gebruikt in berekeningen, ondanks dat deze norm is ingetrokken. De Eurocode geeft echter het veiligheidsniveau niet aan met veiligheidsklassen maar met gevolgklassen (consequence classes (CC)). Er bestaat een verschil tussen de veiligheidsklassen in de 'oude' normen en de gevolgklassen in de Eurocode.

NEN 6702. Voor industriegebouwen is meestal veiligheidsklasse 2 van toepassing, waarbij moet worden gerekend met een belastingfactor gf;g;u = 1,2 voor de permanente belasting en gf;q;u = 1,3 voor de veranderlijke belasting. Voor kantoor- en winkelpanden is meestal veiligheidsklasse 3 van toepassing met een belastingfactor gf;q;u= 1,5 voor de veranderlijke belasting. De constructeur bepaalt op grond van NEN 6702 welke veiligheidsklasse voor het project van toepassing is.

NEN-EN 1990. Eurocode 0 werkt niet met veiligheidsklassen, maar met gevolgklassen. In de tabel is de relatie aangegeven tussen de oude veiligheidsklasse en de nieuwe gevolgklasse. De gevolgklassen in NEN-EN 1990 komen echter niet precies overeen met de veiligheidsklassen volgens NEN 6700. In het algemeen geldt:

- gevolgklasse CC1 correspondeert met zowel veiligheidsklasse 1 als 2;

- gevolgklasse CC2 correspondeert met veiligheidsklasse 3;

- gevolgklasse CC3 is bedoeld voor draagconstructies in zeer hoge of anderszins bijzondere bouwwerken, waarbij de gevolgen van bezwijken zeer groot kunnen zijn.

Naast de gevolgklassen kent de Eurocode het begrip betrouwbaarheidsklasse (reliability class). De betrouwbaarheidsklassen RC1 tot en met RC3 corresponderen met de gevolgklassen CC1 tot en met CC3. Aan de betrouwbaarheidsklassen is een betrouwbaarheidsindex gekoppeld die de waarden van de partiële factoren aan de belastingkant bepalen.

De uitvoeringsklasse wordt bepaald door de opdrachtgever in samenspraak met de constructeur. Om de uitvoeringsklasse te bepalen is in EN 1090-2 de informatieve bijlage B opgenomen. Volgens de hier gebruikte methode wordt de uitvoeringsklasse bepaald uit de gevolgklasse, de gebruikscategorie (service category (SC)) en de productiecategorie (production category (PC)). Uit het voorgaande blijkt dat de 'oude' veiligheidsklasse 3 overeenkomt met CC2. Voor bijvoorbeeld constructies in veiligheidsklasse 3 - die overwegend statisch worden belast (SC1 in S355 (PC2) - zou volgens deze informatieve bijlage gelden dat de constructie moet worden gemaakt volgens uitvoeringsklasse EXC2. De bedoeling is om de bepaling van de uitvoeringsklasse op te nemen in Eurocode 3. Daar hoort deze immers ook. Het voorstel zoals dat er nu ligt is aanzienlijk eenvoudiger dan de methode van bijlage B volgens de EN 1090. In het algemeen geldt: hoe hoger het nummer van de klasse, des te zwaarder de eisen die aan de vervaardiging worden gesteld.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 225 (februari 2012).

Geldt de reductie van de vloeigrens en de treksterkte bij onderdelen dikker dan 40 mm ook voor de verbindingen?

Voor onderdelen van een staalconstructie met een dikte van meer dan 40 mm moet volgens NEN-EN 1993-1-1, tabel 3.1 zowel de vloeigrens als de treksterkte worden gereduceerd. Geldt deze reductie uitsluitend voor het toetsen van de weerstand van de doorsnede of ook voor het berekenen van de verbindingen?

Beide. De vloeigrens en de treksterkte worden bij materiaaldikten van meer dan 40 mm gereduceerd, omdat er bij een grote materiaaldikte meer sprake is van verschillende eigenschappen over de dikte van het staal. De reducties gelden overigens niet alleen voor (onderdelen van) walsprofielen, maar ook voor profielen uit plaat, zoals buizen en plaatliggers. Bij de productie van staal is het basismateriaal hetzelfde voor zowel dikke als dunne platen en profielen. Dunne platen (en profielen) worden door het (uit)walsen meer vervormd dan dikke platen, wat resulteert in een hogere vloeispanning en treksterkte. Ook koelen dunne delen na het walsen gelijkmatiger af. Met deze verschillen is rekening gehouden bij de afnameproeven in de technische leveringsvoorwaarden. Tabel 3.1 van NEN-EN 1993-1-1 is een vereenvoudiging van de materiaaleigenschappen uit onder meer NEN-EN 10025. Bij de afnameproeven is rekening gehouden met de inhomogeniteit van het materiaal, doordat de positie van het proefstuk uit het profiel is voorgeschreven. Het proefstuk moet een strip uit de flens zijn met een dikte gelijk aan die van de flens. Een uit de flens gedraaid proefstuk is dus niet representatief. Bij de verificatie van de toetsingsregels is ook uitgegaan van vergelijkbaar bepaalde materiaaleigenschappen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 227 (juni 2012).

Mag de factor gamma_G bij gunstig werkende belasting ook worden vermenigvuldigd met de factor K_FI?

Bij de berekening van de staalconstructie van een landbouwschuur komt ook een belastingcombinatie voor met windzuiging. In deze combinatie werkt het eigen gewicht van het dak als een gunstige belasting, zodat voor de partiële belastingfactor voor de blijvende belasting geldt gamma_G = 0,9. De landbouwschuur is ingedeeld in gevolgklasse CC1, zodat de partiële factoren aan de belastingkant mogen worden vermenigvuldigd met een factor K_Fl = 0,9. Mag de factor gamma_G ook worden vermenigvuldigd met de factor K_FI?

Nee. De partiële belastingfactor hangt in het algemeen niet af van de gevolgklasse van het bouwwerk. Echter volgens de opmerking onder tabel B.3 van NEN-EN 1990 mag de factor K_FI uitsluitend worden toegepast op ongunstige belastingen. Voor gunstig werkende belastingen geldt dus altijd gamma_G = 0,9. De partiële belastingfactoren voor Nederland zijn nader uitgewerkt in de Nationale Bijlage bij NEN-EN 1990. Voor gevolgklasse CC2 staan deze factoren in tabel NB.4 van de Nationale Bijlage en de partiële belastingfactoren voor gevolgklasse 1 en 3 in tabel NB.5. In tabel NB.5 zijn de factoren gegeven në vermenigvuldiging met de factor K_FL en na afronding. Voor alle gevolgklassen 1 en 3 blijft de waarde van de partiële factor bij gunstige blijvende belastingen gelijk aan gamma_G = 0,9.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 228 (augustus 2012).

Gelden er met de invoering van Bouwbesluit 2012 nog steeds geen eisen aan toelaatbare vervormingen?

Bouwbesluit 2003 stelde geen eisen aan de maximaal toelaatbare vervormingen (doorbuiging en horizontale verplaatsing) van constructies. Is dat met de invoering van Bouwbesluit 2012 nog steeds het geval?

Ja: evenals bij een berekening volgens Bouwbesluit 2003 zie vraag 175 in Bouwen met Staal 173 (2003) gelden er volgens Bouwbesluit 2012 geen eisen aan de vervormingen van constructies. Het Bouwbesluit stelt in publiekrechtelijke zin eisen aan de sterkte van een constructie door voor te schrijven dat de effecten bij de fundamentele en buitengewone belastingcombinaties worden getoetst. Het Bouwbesluit stelt geen eisen aan de bruikbaarheid en daarom ook geen eisen aan de doorbuiging van constructies. Wanneer vervormingen leiden tot een respons van de constructie die van invloed is op het bezwijken in de uiterste grenstoestand zoals bij het beoordelen van wateraccumulatie moet volgens Bouwbesluit 2012 (en ook volgens het oude Bouwbesluit 2003) wel rekening worden gehouden met de gevolgen van de vervormingen. Wanneer het bestek echter expliciet aangeeft dat de constructie moet voldoen aan de Eurocode dus bij een privaatrechtelijke eis betekent dit dat er wél moet worden voldaan aan de vervormingseisen volgens de Nationale Bijlage bij NEN-EN 1990.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 230 (december 2012).

Is het vastgelegd in normen dat de hoofdconstructeur de momentvaste verbindingen uitwerkt?

Voor de fabricage van een staalconstructie maken we gebruik van de statische berekening van de hoofdconstructeur. De verbindingen zijn in de berekening niet uitgewerkt; wel is de krachtsverdeling in de verbinding gegeven. Voor eenvoudige verbindingen is dat niet zo'n probleem, maar voor momentvaste verbindingen betekent dit dat wij een complete verbinding moeten ontwerpen. Naar onze mening is het de taak van de hoofdconstructeur om de momentvaste verbindingen uit te werken. Is dit ook vastgelegd in normen?

Nee, dit is niet geregeld in een norm of een wet. Het is publiekrechtelijk niet geregeld welke partij een bepaalde berekening moet maken. Ook in de privaatrechtelijke normen is hiervoor niets opgenomen. Het kan wel privaatrechtelijk worden beschreven door iets over de taakverdeling tussen de betrokken partijen in de contracten tussen hoofdconstructeur en opdrachtgever en/of staalconstructiebedrijf en opdrachtgever vast te leggen. De opdrachtgever zou kunnen eisen in de overeenkomst dat de hoofdconstructeur alle momentvaste verbindingen bepaalt. Voordat een opdracht wordt aangenomen is het dus belangrijk dat het bedrijf dat de staalconstructie zal vervaardigen zich op de hoogte stelt van welke verbindingen door de hoofdconstructeur zijn ontworpen en berekend.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 234 (augustus 2013).

Geldt NEN-EN 1991-1-7 ook voor de beoordeling van een normale bedrijfshal?

Met de komst van de Eurocode is er een speciale norm (NEN-EN 1991-1-7) voor de beoordeling van gebouwen onder invloed van buitengewone belastingen. Geldt deze norm ook voor een normale bedrijfshal?

NEN-EN 1991-1-7 is bedoeld om gebouwen weerbaar te maken tegen buitengewone belastingen. Het buitengewone belastingsgeval brand valt hier niet onder, hiervoor geldt NEN-EN 1991-1-2. De achtergrond van NEN-EN 1991- 1-7 is het voorkomen van disproportionele schade door een relatieve kleine belasting en moet voortschrijdende instorting voorkomen. Naast weerstand tegen buitengewone belastingen met bekende oorzaak, zoals aanrijdingen of stootbelastingen, moet een gebouw een zekere robuustheid hebben bij buitengewone belastingen met een onbekende oorzaak (deze eis wordt overigens nog niet door het Bouwbesluit 2012 aangestuurd). Met de informatieve Bijlage A kan worden aangetoond of een gebouw voldoende robuust is. De eisen zijn afhankelijk van de gevolgklasse. Voor bedrijfshallen in gevolgklasse CC1 gelden geen speciale eisen. Voor bedrijfshallen die vallen in gevolgklasse CC2a (de norm verdeelt gevolgklasse CC2 in een klasse met een laag risico (a) en een klasse met een hoog risico (b)) moeten de kolommen zijn gezekerd met een horizontale trekband. De trekband met worden berekend op een kracht die afhankelijk is van de aanwezige belasting, de lengte van de trekband (afstand tussen de kolommen) en de h.o.h.-afstand van de trekbanden. De trekband moet een minimale kracht kunnen opnemen van 75 kN. Deze kracht kan eenvoudig warden opgenomen met twee bouten M16, 8.8. In werkelijkheid blijkt de toepassing van bijlage A tot aanzienlijke praktische problemen te leiden. Alle strategieën met trekbanden vereisen in alle details bijvoorbeeld aanzienlijke rotatie en/of vervormingscapaciteit, bij de trekbanden horen ook drukbogen of vasthoudpunten die in de praktijk lang niet overal aanwezig blijken te zijn. Bovendien is er voor gevolgklasse CC3 een risicoanalyse vereist waarvoor geen model wordt aangereikt. Tevens worden er geen wegingsfactoren en toetsingscriterium genoemd. De hoop is dat bijlage A binnen twee jaar zodanig wordt aangepast dat deze goed bruikbaar is voor de praktijk.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 236 (december 2013).

Waardoor komt het verschil in de momentenverdeling bij ongeschoolde portalen tussen de TGB en de Eurocode?

Een landbouwschuur wordt uitgevoerd met stalen portalen met een kleine dakhelling. Het betreft een ongeschoorde constructie. Voor de toetsing van de stabiliteit van de kolom (buiging en druk) volgens art. 12.3.1.2.1 (formule 12.3-1) van NEN 6770 bedraagt het equivalent buigend moment bij een belastingcombinatie met uitsluitend verticale belasting 0,85 keer het buigend moment in knooppunt 2 (zie afbeelding). Bij de toetsing van de stabiliteit volgens NEN-EN 1993-1-1, art. 6.3.3 (4) (formule 6.61) en tabel B.3 bedraagt deze factor 0,6. Hoe is dit grote verschil te verklaren?

Met de Eurocode is het begrippenkader geschoord-ongeschoord vervallen. Er wordt alleen nog gesproken over sway en non-sway. In de achtergronddocumenten wordt overigens nog wel gesproken over geschoord-ongeschoord naast sway-non-sway. De Eurocode gaat ervan uit dat in een ongeschoord raamwerk de sway-effecten zijn te verwaarlozen. Onderzoek heeft echter aangetoond dat hiermee geen goed beeld van de bezwijkvorm wordt verkregen. Een portaal geldt als non-sway als acr = Fcr / FEd 10. Zo staat in tabel B.3 van NEN-EN 1993-1-1 dat voor staven met een knikvorm met verplaatsbare knopen ('sway buckling mode') momentverdelingsfactoren Cmy en Cmz van 0,9 moeten worden aangehouden. Een bijkomstig nadeel van de gekozen definiëring is dat de indeling sway-non-sway afhankelijk is van de belastingsgraad van de constructie. In de praktijk betekent dit dat ongeschoorde spanten die relatief licht worden belast en daardoor als non-sway kunnen worden aangemerkt, geen momentverdelingsfactoren van 0,9 kennen. Dit zou echter wel moeten. In plaats van 'sway buckling mode' had in de tabel moeten staan 'ongeschoorde constructies'. Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een foutieve benaming in de Eurocode. Het is dus veiliger in deze situatie te rekenen met momentverdelingsfactoren van Cmy en Cmz gelijk aan 0,9.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 238 (april 2014).

In juni 2014 is het amendement A1 op NEN-EN 1993-1-1 uitgebracht. Wat is de status van dit amendement?

In juni heeft NEN het amendement A1 op NEN-EN 1993-1-1 uitgebracht. In deze aanvulling op de Eurocode wordt, onder andere in bijlage C, voorgeschreven hoe de uitvoeringsklasse moet worden bepaald. Wat is de status van dit amendement en wat zijn de consequenties voor het dimensioneren van staalconstructies?

Het amendement heeft de status van een officiële Nederlandse norm. De norm is Engelstalig, dit doet echter niets af aan het officiële karakter. De wijziging betekent dat het bepalen van de uitvoeringsklasse (execution class) van een staalconstructie nu normatief is geregeld in NEN-EN 1993-1-1. De informatieve bijlage B van NEN-EN 1090-2 mag dus niet langer worden gebruikt. Met de wijziging zijn ook de begrippen gebruikscategorie en productiecategorie vervallen. De vaststelling van de uitvoeringsklasse hangt nu rechtstreeks samen met de betrouwbaarheidsklasse of gevolgklasse en het type belasting (statisch of gevoelig voor vermoeiing en/of aardbevingen). De staalconstructeur is, met de opdrachtgever, verantwoordelijk voor de keuze van de uitvoeringsklasse.

Een andere gevolg is dat uitvoeringsklasse 4 niet meer rechtstreeks voorkomt in de tabel maar via een voetnoot wordt voorbehouden voor constructies met extreme gevolgen bij bezwijken. Dit betekent bijvoorbeeld dat een normale brug niet meer automatisch in uitvoeringsklasse 4 valt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 240 (augustus 2014).

Moet ik als constructeur de uitvoeringsklasse van een staalconstructie of onderdelen daarvan aan geven?

Ik krijg als constructeur steeds vaker de vraag om de uitvoeringsklasse van een staalconstructie of onderdelen daarvan aan te geven. Klopt het dat ik dat moet doen en hoe gaat dat in zijn werk?

NEN-EN 1090-2 onderscheidt vier uitvoeringsklassen: EXC1 t/m EXC4. Afhankelijk van de uitvoeringsklasse wordt het niveau van afwerking, kwaliteitsborging en keuring en beproeving geregeld. Grofweg kan deze indeling worden aangehouden:

EXC1: agrarische gebouwen, opslaghallen;

EXC2: gebouwen;

EXC3: vermoeiing en grote gevolgen bij bezwijken;

EXC4: kernreactoren en overige constructies met extreme gevolgen voor bezwijken.

Tot voor kort kon de uitvoeringsklasse worden bepaald met de richtlijnen als gegeven in de informatieve Bijlage B van NEN-EN 1090-2. Aangezien de uitvoeringsklasse moet zijn gegeven in de uitvoeringsspecificatie en moet worden bepaald door de constructeur is dit geen logische plaats. Daarom was in Bijlage B al de volgende opmerking opgenomen: De richtlijnen van deze bijlage worden wellicht geheel of gedeeltelijk vervangen door toekomstige richtlijnen toegevoegd aan EN 1993 . Sinds 1 juni 2014 is dus amendement A1 gepubliceerd. Deze aanvulling op Eurocode 3 bevat een normatieve bijlage C waarin wordt geregeld hoe de uitvoeringsklasse bepaald moet worden. De bepaling van de uitvoeringsklasse gebeurt nu volgens onderstaande tabel C.1 uit NEN-EN 1993-1-1.

Twee dingen vallen hier direct aan op: de tabel is veel eenvoudiger geworden, de begrippen productiecategorie en gebruikscategorie zijn vervallen en uitvoeringsklasse EXC 4 wordt niet meer direct aangewezen, maar is gereserveerd als optie voor constructies met extreme gevolgen van constructief bezwijken.

De keuze van de uitvoeringsklasse hangt dus nu alleen nog maar af van de gevolgklasse CC (of van de betrouwbaarheidsklasse RC). De gevolgklasse wordt in Nederland bepaald door de Nationale Bijlage van NEN-EN 1990 tabel NB.20-B1. Een voorbeelduitwerking (informatief) is opgenomen in tabel NB.21-B1. Aangezien de bepaling van de uitvoeringsklasse direct is gekoppeld aan de gevolgklasse is het nu mogelijk om deze te bepalen.

Op dit moment wordt nog gewerkt aan een gewijzigde Nationale Bijlage van Eurocode 3, maar ook aan een gewijzigde NB bij NEN-EN 1990. In de eerste wordt ook een deel opgenomen over de bepaling van de uitvoeringsklasse en in de tweede wordt tabel NN.20-B1 gewijzigd. Er zijn in Nederland stromingen die de Europese indeling niet ver genoeg vinden gaan, met name voor bruggen. Het zou dus kunnen zijn dat, in afwijking van Europa, in Nederland onder andere bruggen over hoofdwegen en hoofdvaarwegen toch in uitvoeringsklasse EXC4 worden ingedeeld.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 242 (december 2014).

In V&A is amendement A1 op NEN-EN 1993-1-1 toegelicht. Heeft het amendement rechtsgeldigheid?

In een vorige editie van Vraag & Antwoord (Bouwen met Staal 240, augustus 2014) is amendement A1 op NEN-EN 1993-1-1 toegelicht. Het Bouwbesluit 2012 verwijst echter niet naar dit amendement. Heeft het amendement hiermee geen rechtsgeldigheid?

De rechtsgeldigheid van een amendement vloeit primair voort uit de private overeenkomst. Die overeenkomst moet als minimum de publiekrechtelijke eisen volgen. Een normblad, correctieblad of wijzigingsblad heeft op zichzelf geen betekenis. Pas als partijen overeenkomen dat die van toepassing zijn, maken ze onderdeel uit van de overeenkomst. Het publiekrechtelijke voorschrift Bouwbesluit 2012 verwijst op dit moment niet naar amendement A1. Dit betekent dus dat zonder een private overeenkomst het amendement A1 nog niet verplicht hoeft te worden gebruikt. De regeling Bouwbesluit 2012 zal waarschijnlijk met ingang van 1 april 2015 worden gewijzigd. In deze wijziging zal NEN-EN 1993-1-1 samen met het amendement A1 rechtstreeks worden aangestuurd. Vanaf dat moment kan men dus niet meer om amendement A1 heen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 242 (december 2014).