Zum Hauptinhalt springen

I02: Vereiste brandweerstand

FAQs over het onderwerp I Vereiste brandweerstand

Mag een buiskolom in plaats van beton met zand worden gevuld?

De hoofddraagconstructie van een kantoorgebouw moet 60 minuten brandwerend zijn. Een mogelijke oplossing is om de stalen buiskolommen te vullen met ongewapend beton. Mag ik als alternatief in plaats van ongewapend beton droog zilverzand als vulling gebruiken?

Nee. Het draagvermogen van betongevulde buiskolommen is zeer waarschijnlijk groter dan die van kolommen gevuld met zand. De capaciteit op druk van betongevulde buizen is toe te schrijven aan twee factoren:

door het warmte-accumulerend vermogen van het beton warmt het stalen profiel minder snel op;

doordat de temperatuur van de stalen buis hoger is dan die van het beton, neemt de stijfheid van de stalen buis sneller af dan die van de betonvulling. Daardoor treedt er een herverdeling van krachten op: de drukkracht in het staal neemt af, terwijl de drukkracht in het beton toeneemt.

Bij buizen gevuld met zand zal het warmte-accumulerend vermogen overeenkomen met dat van een buis gevuld met beton. Echter een kolom droog zand is zelf niet in staat een drukkracht op te nemen. Indien het zand in de stalen buis volledig is opgesloten ontstaat er in het zand weliswaar een drieassige spanningstoestand, maar voor zover bekend zijn er geen draagkrachtproeven uitgevoerd met zandgevulde buiskolommen. Het is daarom niet in te schatten wat de brandwerendheid is van een zandgevulde buiskolom. Hoogstwaarschijnlijk is hiermee een brandwerendheid van 60 minuten niet haalbaar.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 199 (december 2007).

Wat is de brandwerendheidseis van nieuwe gevel bij bestaande bebouwing?

Een 8 m hoge opslaghal een staalconstructie met een geïsoleerde stalen gevel heeft een oppervlakte van 900 m2 en staat met één gevel 5 m van de perceelgrens. Aan de overzijde staat op 0,15 m uit de erfgrens een loods met een ongeïsoleerde stalen gevel. Wat is voor deze situatie de brandwerendheidseis voor de nieuwe gevel gelet op de bestaande bebouwing op het naburig perceel?

Geen eis! De brandwerendheidseis vloeit namelijk publiekrechtelijk voort uit Bouwbesluit (2003) afdeling 2.2 (sterkte bij brand) en 2.13 (beperking van uitbreiding van brand). Het gaat dan om de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken en het voldoen aan de eisen met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). Op grond van afdeling 2.2 geldt geen eis, omdat er geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau. Het uitgangspunt bij het beoordelen van de wbdbo naar de buren is het beginsel van gelijke rechten voor iedere burger. Volgens afdeling 2.13 moet uitsluitend de wbdbo worden beschouwd naar een op 2x5 = 10 m afstand gelegen identiek, doch gespiegeld gebouw op een naburig perceel. Daarbij is het niet van belang of er in werkelijkheid al een gebouw staat en zo ja, hoe dat gebouw is gedetailleerd. Op grond van gelijke rechten mag derhalve geen rekening worden gehouden met bestaande bebouwing aan de andere kant van de perceelgrens.

Voor het denkbeeldige, identieke gebouw moet worden uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelgrens ligt als die van het nieuw te bouwen gebouw. In dit geval bedraagt de afstand tussen de nieuwe opslaghal en de fictieve hal bij de buren dus 10 m. Een beoordeling van de brandoverslag van de gevel volgens NEN 6068 laat zien dat deze afstand voldoende groot is om de gevel niet brandwerend uit te voeren.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 202 (juni 2008).

Mag Bouw- en Woningtoezicht een eis stellen van 30 minuten voor een gevel van binnen naar buiten?

Een bestaande opslaghal een staalconstructie met een gevelbeplating van cellenbeton heeft een oppervlakte van 900 m2. De gevel staat aan één zijde op 0,15 m uit de erfgrens en wordt geheel vervangen door een geésoleerde stalen gevel met een brandwerendheid van buiten naar binnen van 60 minuten. Bouw- en Woningtoezicht eist dat de nieuwe gevel een minimale brandwerendheid heeft van binnen naar buiten van 30 minuten. Is dit terecht?

Nee. Indien de gevel op minder dan 1 m van de erfgrens staat wordt een eis gesteld aan de totale brandwerendheid van de nieuwe gevel én van de spiegelsymmetrische gevel samen (zie art. 2.13 van Bouwbesluit (2003)). Deze eis voor beide gevels samen te beschouwen en te beoordelen op branddoorslag als één fictieve inwendige scheidingsconstructie bedraagt minimaal 60 minuten van binnen naar binnen . In spiegelsymmetrische zin is hier dus ook een voldoende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van binnen naar buiten al aanwezig.

Van belang is dat moet zijn voldaan aan Bouwbesluit (2003) art. 2.13 (beperking uitbreiding brand bij nieuwbouw), waarbij rekening moet worden gehouden met een denkbeeldig spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw dat op dezelfde afstand van de perceelgrens ligt als het te bouwen gebouw. In dit geval dus: 2x0,15 = 0,3 m. Nu is de aangewezen bepalingsmethode in NEN 6068 echter onvoldoende toegesneden op gevels die zo dicht bij elkaar liggen. Daarom moet op basis van Bouwbesluit art. 1.5 (gelijkwaardigheid) tot een oordeel worden gekomen.

Omdat het spiegelsymmetrisch gebouw op heel korte afstand ligt van het te renoveren gebouw bestaat er gevaar voor vlamcontact wanneer de nieuwe bouwdelen onvoldoende brandwerend zijn met betrekking tot de scheidende functie. Wanneer de afstand tussen twee gebouwen erg klein is, kan de brandweer niet door blussen het naastgelegen gebouw koelen en brandoverslag voorkomen. Feitelijk vindt er een beoordeling op branddoorslag plaats (zonder de invloed van de buitenlucht). Bij grote afstanden tussen gevels vindt een beoordeling plaats op brandoverslag, waarbij de bijdrage van 30 minuten wordt toegekend aan de buitenlucht, danwel koeling door de brandweer. Voor de nieuwe wand op zeer korte afstand van de perceelsgrens geldt dat de brandwerendheid moet worden beschouwd van die wand samen met de gespiegelde wand (een soort binnen- en buitenspouwblad) alsof het een inwendige scheidingsconstructie betreft tussen twee brandcompartimenten. Deze inwendige scheidingsconstructie moet als één geheel worden beoordeeld volgens NEN 6069 en moet ten minste een brandwerendheid hebben van 60 minuten met betrekking tot de scheidende functie. Afhankelijk van de gekozen bouwkundige oplossing wordt het van de brandhaard afgekeerde fictieve spouwblad bij brand aan de binnenzijde van de nieuwe gevel ( binnenspouwblad ) al opgewarmd, waardoor de brandwerendheid van het fictieve spouwblad negatief wordt beénvloed. Om die reden mogen de brandwerendheden van de afzonderlijke spouwbladen niet worden opgeteld.

Tot slot: het gaat hier om een renovatie, zodat op grond van de Woningwet art. 6 samen met Bouwbesluit art. 1.11 (ontheffingen) de mogelijkheid van ontheffing van de nieuwbouweis bestaat, indien het opleggen van de nieuwbouweis onredelijk is.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 202 (juni 2008).

Hoe toon ik de brandwerendheid aan van een lipverbinding?

Een atriumkap bestaat uit HEA-kolommen met aangelaste lippen en HEA-liggers. De staalconstructie zelf (liggers en kolommen) bezit een brandwerendheid van 30 minuten die is bepaald volgens NEN-EN 1993-1-2. Bouw- en Woningtoezicht vraagt nu de brandwerendheid van de lipverbindingen aan te tonen. Hoe gaat dat in zijn werk?

De verbindingen van een staalconstructie zijn bij brand meestal niet maatgevend. Bij een verbinding is doorgaans relatief veel materiaal aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van schotten.

De profielfactor van de verbinding is dan lager dan die van de ligger. Dit betekent dat het langer duurt voordat het materiaal bij brand is opgewarmd. Daarnaast is de unity check van een verbinding over het algemeen lager dan die van de aansluitende ligger. Dit betekent dat de kritieke staaltemperatuur dat is de temperatuur waarbij de constructie bezwijkt hoger ligt.

In het geval van lipverbindingen is er echter niet veel materiaal bij de verbinding aanwezig. De temperatuur in een lipverbinding kan dan wat hoger oplopen dan die in andere typen verbindingen.

De kritieke staaltemperatuur van de verbinding kan analoog aan de berekening van een ligger worden bepaald volgens NEN-EN 1993-1-2, art. 4.2.4. De werkelijke temperatuur van de verbinding volgt uit bijlage D.3 van dezelfde norm. Wanneer de werkelijke temperatuur lager is dan de kritieke temperatuur voldoet de verbinding. Een extra controle is nodig voor de bouten waarmee de ligger op de lippen aansluit.

De bouten kunnen maatgevend zijn, ondanks dat de temperatuur in de bouten achterblijft bij die in de ligger. Bouten in de kwaliteit 8.8 of hoger zijn namelijk vervaardigd uit koudgevormd staal, dat bij hoge temperaturen aan sterkte verliest. Voor de toetsing van de bouten kan bijlage D.1 van NEN-EN 1993-1-2 worden gebruikt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 201 (april 2008).

Kan de gemeente bij gebruiksvergunning aanvullende brandwerendheidseisen stellen?

Een kantoorgebouw voldoet aan alle brandwerendheidseisen uit het Bouwbesluit 2003. Kan de gemeente bij het verlenen van de gebruiksvergunning aanvullende eisen aan de brandwerendheid stellen (bijvoorbeeld een scheidingswand mag geen 20 minuten brandwerend zijn, maar moet 30 minuten brandwerend zijn)?

In het kader van de vergunning brandveilig gebruik kan de gemeente geen bouwtechnische eisen stellen. Voordat de gebruiksvergunning kan worden verleend, moet worden beoordeeld of het gebouw bouwkundig aan het Bouwbesluit 2003 voldoet, gerelateerd aan het beoogde gebruik. Daartoe is de gemeente gehouden aan art. 1b en art. 13 van de Woningwet, zoals deze luidt na de wijzigingen die zijn gepubliceerd in het Staatsblad 2007, 27 en die per 1 april 2007 in werking zijn getreden.

Een gemeente kan aanschrijven, indien een niet tot bewoning bestemd gebouw niet voldoet aan de voorschriften die voor een bestaand gebouw in het Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen. Daarnaast mag een gemeente mits terdege gemotiveerd en toegesneden op het specifieke geval hogere eisen stellen, maar niet hoger dan het nieuwbouwniveau. Wanneer het gebouw bouwkundig voldoet aan het Bouwbesluit 2003, nieuwbouw, en tevens is voldaan aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening, is het te verwachten dat de gemeente zonder gebruikbeperking de vergunning brandveilig gebruik verleent, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het kan ook zijn dat het gebouw bouwkundig voldoet aan het niveau in het Bouwbesluit 2003 voor bestaande bouw, maar niet aan het door de gemeente noodzakelijk geachte niveau gelet op het beoogde gebruik. In dat geval kan de gemeente in de gebruiksvergunning brandveilig gebruik mits terdege gemotiveerd uitsluitend beperkingen aan dat gebruik opleggen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 196 (juni 2007).

Is de eis van 30 minuten voor hoofddraagconstructie van tweelaags gebouw terecht?

Het ontwerp voor een gebouw voor fysiotherapie bestaat uit een staalskelet met twee bouwlagen met een verdiepingvloer op 3,25 m en is ingedeeld als één brandcompartiment en één rookcompartiment. De brandweer eist een brandwerendheid van de hoofddraagconstructie van 30 minuten. Is dat terecht?

Nee. Volgens Bouwbesluit 2003, art. 2.8 lid 1 in verbinding met art. 2.9 lid 4 geldt voor de gebruiksfuncties gezondheidszorg en sport geen brandwerendheidseis voor de hoofddraagconstructie voor dit gebouw. Het gebouw bestaat immers uit één rookcompartiment. Wanneer wordt voldaan aan de eis omtrent de lengte van de loopafstanden tussen een punt in een verblijfsgebied of een verblijfsruimte en een uitgang van het gebouw (het gebouw is tevens rookcompartiment), wordt er namelijk rechtstreeks vanuit het rookcompartiment gevlucht naar het aansluitende terrein. Het gebouw heeft dan geen rookvrije vluchtroutes. De eis van Bouwbesluit 2003, art. 2.8 lid 1 in verbinding met art. 2.9 lid 1 is dan niet van toepassing.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 196 (juni 2007).

Aan welke eisen moeten afmetingen van veiligheidstrappenhuis voldoen?

Een woongebouw van vier bouwlagen telt zeven woningen met een totale oppervlakte aan verblijfsgebied van minder dan 800 m2. Het gebouw wordt ontsloten door een lift. Tevens is er een veiligheidstrappenhuis. Moeten de afmetingen van de trappen in dit veiligheidstrappenhuis voldoen aan de criteria in Bouwbesluit 2003, tabel 2.28a, kolom B of is dit trappenhuis te beschouwen als brandtrap ?

Ook als een trap wordt aanmerkt als brandtrap moet deze trap voldoen aan Bouwbesluit 2003, afdeling 2.5 (Trap). Het Bouwbesluit 2003 maakt een onderscheid tussen trappen die dienen om woonfuncties te ontsluiten dat wil zeggen dat ze tevens moeten kunnen worden gebruikt voor het stijgende verkeer van het maaiveld naar de woning en andersoortige trappen. Op grond van Bouwbesluit 2003, afdeling 2.4 (Overbrugging van hoogteverschillen) moet een woning worden ontsloten door een trap of door een hellingbaan, ook als er een lift aanwezig is. De aanduiding brandtrap heeft dus in het voorbeeld geen betekenis, omdat het tevens de hoofdtrap is. Zou een hoofdtrap ontbreken, dan voldoet het bouwplan niet aan het Bouwbesluit 2003.

Bij de interpretatie van Bouwbesluit 2003, art. 2.28, lid 3 is het tekstgedeelte die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24 voor het bereiken van een verblijfsgebied van belang. De noodzakelijke breedte van een trap hangt af van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied die op die trap is aangewezen. De trap moet vermoedelijk alleen onder in het trappenhuis voldoen aan de criteria in tabel 2.28a, kolom B. Immers, in het onderste gedeelte zal op die trap meer dan 600 m2 aan verblijfsgebied zijn aangewezen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 195 (april 2007).

Welke brandwerendheidseis geldt bij verbouwing van woongebouw?

Een woongebouw (met een hoogste verblijfsvloer van meer dan 13 m boven maaiveld) wordt gerenoveerd. Destijds gold bij de nieuwbouw een brandwerendheidseis van 60 minuten. Bij de renovatie worden in een aantal vloervelden en in enkele dragende wanden sparingen aangebracht, onder meer voor extra trappen. Voor de hoofddraagconstructie van het bestaande gebouw geldt volgens het Bouwbesluit 2003 voor bestaande bouw een brandwerendheidseis van 60 minuten. De renovatie valt volgens de gemeente onder het begrip bouwen , waardoor de aanpassing met de huidige voorschriften moeten worden berekend als zijnde nieuwbouw . En hiervoor geldt een eis van 120 minuten. Aan welke brandwerendheidseis moeten nu worden voldaan?

In dit voorbeeld is sprake van verbouwen. Verbouwen is bouwen in de zin van art. 1, lid 1a van de Woningwet, zijnde het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bouwwerk . Gelet daarop zijn op het verbouwen in beginsel de nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit 2003 van toepassing. Echter die voorschriften gelden volgens art. 4 van de Woningwet uitsluitend voor die onderdelen die onderwerp van de verbouwing zijn. Daarbij komt dat op grond van art. 6 van de Woningwet in combinatie met par. 1.5 van het Bouwbesluit 2003 burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van de nieuwbouweisen bij het verbouwen van een bouwwerk. Het verlenen van een ontheffing is pas aan de orde indien het niet redelijk is te verlangen dat aan de desbetreffende nieuwbouweis wordt voldaan.

(Bestaande) onderdelen die geen onderwerp van een verbouwing zijn moeten ten minste voldoen aan de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 voor bestaande bouw, met dien verstande dat het rechtens verkregen niveau niet mag worden onderschreden. Dus wanneer tijdens de bouw van het betreffende onderdeel destijds een hoger niveau gold, mag dat niveau niet worden onderschreden, tenzij dit niveau ligt boven het huidige nieuwbouwniveau.

Wanneer er een voorschrift geldt voor een gehele bouwconstructie of een gehele scheidingsconstructie en er wordt maar een gedeelte daarvan vernieuwd, veranderd of vergroot, dan geldt het voorschrift dus niet. Het voorschrift heeft immers betrekking op het geheel en dat geheel is dan geen onderwerp van de verbouwing.

Voor het bedoelde woongebouw in de vraagstelling betekent dit dat de ravelingen en doorbrekingen zo moeten worden gemaakt dat het rechtens verkregen niveau niet wordt onderschreden. Hiervoor geldt dus een brandwerendheidseis van 60 minuten. De nieuwbouweisen (van 120 minuten) kunnen niet van toepassing zijn en mogen ook niet door de gemeente worden afgedwongen. Immers het voorschrift heeft betrekking op het geheel en dat geheel is geen onderwerp van de verbouwing. Ontheffing van de nieuwbouwvoorschriften kan daarom evenmin aan de orde komen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 191 (augustus 2006).

Moet een onbeklede dakligger als vierzijdig verhit worden beschouwd?

Een hal bestaat uit stalen dakliggers met geprofileerde stalen dakplaten. Voor de berekening van de brandwerendheid van de onbeklede dakliggers eist de brandweer dat de liggers worden beschouwd als vierzijdig verhit. Is deze eis terecht?

Ja, zonder speciale voorzieningen moet er worden gerekend met een vierzijdig verhit profiel. Uitsluitend wanneer de cannelures van de stalen dakplaten boven de liggers over minimaal de breedte van de bovenflens worden dichtgezet met minerale wol, dan mag worden uitgegaan van een driezijdig verhit profiel. De minerale wol zorgt er namelijk voor dat er een warmteweerstand ontstaat tussen de brand en de bovenkant van de dakliggers. Hierdoor is de bijdrage aan de opwarming van het profiel via de bovenzijde van de bovenflens verwaarloosbaar klein ten opzichte van de opwarming via de andere profieldelen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 187 (december 2005).

Waarom is glasvezelversterkte gipsplaat wel opgenomen in Brawesta en waarom gipskartonplaat niet?

In een staalconstructie wil ik een aantal liggers en kolommen met gewone gipskartonplaten bekleden voor de brandwerendheid. De benodigde dikte van deze platen wilde ik uitrekenen met Brawesta. Echter dit computerprogramma kent de gipskartonplaat niet, maar wel de glasvezelversterkte gipsplaat. Wat is hiervan de reden?

Een staalconstructie kan tegen brand worden beschermd door het aanbrengen van een brandwerende bekleding. Deze bekleding heeft als functie om de opwarming van de achterliggende staalconstructie te vertragen, zodat bijvoorbeeld een brandwerendheid van 60 minuten wordt behaald. Om deze functie te kunnen vervullen, moet het bekledingsmateriaal aan een aantal eisen voldoen. Zo moet onder meer het bekledingsmateriaal onbrandbaar zijn en tijdens de brand intact blijven. Een andere eis is dat het bekledingsmateriaal tijdens brand de vervorming van de staalconstructie moet kunnen volgen. Dit doorbuigingscriterium voorkomt dat het bekledingsmateriaal voortijdig scheurt of zelf loslaat. Deze eigenschap wordt beoordeeld in een brandproef.

Gewone gipskartonplaten voldoen niet aan alle eisen die aan het bekledingsmateriaal worden gesteld. Met name aan de onbrandbaarheid en het intact blijven wordt niet voldaan. Om die reden is de gipskartonplaat niet opgenomen in Brawesta en de glasvezelversterkte gipsplaat wel.

Voor niet-dragende bouwdelen, zoals scheidingswanden in metal-stud, kan de gewone gipskartonplaat wel worden gebruikt voor de brandwerendheid. In deze situaties speelt vooral het criterium op de scheidende functie (rook, hitte) een rol. Voor deze toepassing bevat art. 8.5.2 van NEN 6073 een eenvoudige formule om de doorbrandtijd van gipskartonplaten te bepalen. Ook fabrikanten kunnen deze informatie leveren.

Wanneer echter een metal-stud wand een draagconstructie in staal tegen brand moet beschermen, dan moet deze wand altijd intact blijven en moet weer een glasvezelversterkte gipsplaat worden gebruikt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 181 (december 2004).

Welke brandwerendheidseisen gelden er voor nieuwe trappenhuizen bij woongebouw?

In een bestaand woongebouw van zes bouwlagen moet aan de linkerkant een gecombineerde nieuwe entree en hoofdtrappenhuis worden geplaatst en aan de rechterkant een noodtrappenhuis. Welke brandwerendheidseisen gelden er voor de beide trappenhuizen?

Voor nieuw te bouwen hoofddraagconstructies geldt een brandwerendheidseis van 120 minuten, omdat de bovenste vloer hoger ligt dan 13 m boven het maaiveld. Een constructie is een hoofddraagconstructie wanneer bij bezwijken van die constructie er sprake is van voortschrijdend bezwijken.

Omdat de beide trappenhuizen naderhand worden toegevoegd, kan worden aangenomen dat het bezwijken van het hoofdtrappenhuis en van het noodtrappenhuis niet leidt tot het bezwijken van het woongebouw. De brandwerendheidseis voor hoofddraagconstructies is hier dus niet van toepassing.

Daarnaast gelden er eisen die te maken hebben met het veilig kunnen ontvluchten. De beide trappenhuizen gelden als brand- en rookvrije vluchtroutes volgens de eisen van het Bouwbesluit. Dat betekent dat deze vluchtroutes bij brand altijd 30 minuten in stand moeten blijven. Daarbij wordt aangenomen dat er in brand- en rookvrije vluchtroutes geen brand kan ontstaan. Daarom worden er eisen gesteld aan het materiaalgebruik in trappenhuizen (vrijwel geen brandbare materialen) én aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (van de omhulling van de trappenhuizen) vanuit het woongebouw naar de trappenhuizen. Ook mag het bezwijken van trappenhuizen niet leiden tot het onbruikbaar worden van bijvoorbeeld vloeren of trappen in brand- of rookcompartimenten in het woongebouw waarover wordt gevlucht; denk bijvoorbeeld aan een galerij. In dit geval is het bezwijken van de trappenhuizen niet aan de orde. Ze maken immers deel uit van de vluchtroute en mogen daarom niet voortijdig bezwijken. (Trappenhuizen die geen deel uitmaken van een brand- en rookvrije vluchtroute kunnen wel voortijdig bezwijken. In dat geval is het van belang of ze een (andere) vluchtroute wel of niet onbruikbaar maken.)

In dit voorbeeld moet de omhulling van beide trappenhuizen dus een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag hebben van minimaal 30 minuten. Wanneer de staalconstructie van die trappenhuizen binnen de omhulling ligt (koude zijde) dan geldt er geen brandwerendheidseis. Wanneer de staalconstructie zich aan de buitenkant bevindt (warme zijde) dan geldt een eis van 30 minuten om te garanderen dat de omhulling 30 minuten lang de vluchtroute beschermt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 179 (augustus 2004).

Mag gemeente een eis stellen van 540 minuten brandwerendheid voor gevel opslaggebouw?

Een nieuw te bouwen hal met een oppervlakte van 44x22 = 968 m2 wordt ingericht voor de opslag van gebruikte autobanden. De gemeente stelt voor de gevel op de erfgrens een eis van 540 (!) minuten voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). Deze eis van de gemeente is door de provincie opgelegd, verwijzend naar een richtlijn die geldt voor afvalverbrandingsinstallaties. Het perceel is te klein om het gebouw op te schuiven waardoor de afstand tot de perceelgrens groter wordt. Het opslaggebouw ligt niet op een industrieterrein, maar in het buitengebied. Mag de gemeente deze extreem zware eis stellen?

Nee. De bouwtechnische eisen voor nieuw te bouwen gebouwen liggen vast in het Bouwbesluit 2003. In dit geval is van toepassing de (lichte) industriefunctie. Voor deze gebruiksfunctie geldt een maximale compartimentgrootte van 1000 m2 met een wbdbo-eis naar (gebouwen op) aangrenzende percelen van 60 minuten. Hierbij geldt het principe van spiegelsymmetrie. Dit betekent concreet dat de gevel van de te bouwen opslagloods (die op de perceelsgrens staat) 30 minuten brandwerend moet zijn met betrekking tot de scheidende functie (van binnen naar buiten én van buiten naar binnen). Deze eisen in het Bouwbesluit zijn onafhankelijk van de aanwezige vuurbelasting.

De gemeente mag geen aanvullende (lees zwaardere) brandwerendheidseisen stellen die in strijd zijn met de eisen uit het Bouwbesluit. Uitsluitend wanneer het brandcompartiment groter is dan 1000 m2 kan de gemeente hogere eisen stellen. In geval van buitenopslag (dus niet onder dak) kan de gemeente eisen stellen in het kader van de milieuvergunning. Voor het gebouw zelf echter gelden uitsluitend de eisen in het Bouwbesluit.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 179 (augustus 2004).

Geldt gereduceerde brandwerendheidseis ook voor bovenste verdieping kantoorgebouw?

Van een kantoorgebouw ligt de vloer van de bovenste verdieping op 10,8 m. Voor de hoofddraagconstructie van dit kantoor geldt een brandwerendheidseis van 90 minuten. Vanwege de geringe permanente vuurbelasting mag deze eis worden gereduceerd tot 60 minuten. Geldt deze gereduceerde eis ook voor de bovenste verdieping, dus voor de dakconstructie?

Wanneer het bezwijken van de dakconstructie geen voortschrijdende instorting veroorzaakt de onderliggende constructie bezwijkt dus niet bij het bezwijken van het dak dan hoeft de dakconstructie niet als hoofddraagconstructie te worden aangemerkt. In dat geval geldt de eis van 60 minuten brandwerendheid niet voor de draagconstructie van het dak. Er moet echter nog wel worden voldaan aan de eis met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). Deze wbdbo-eis bedraagt in dit geval ook 60 minuten. Wanneer het gebouw niet in de directe nabijheid van andere gebouwen staat, en er dus geen gevaar bestaat dat vlammen uit het dak of de gevel kunnen overslaan naar belendende gebouwen, dan wordt automatisch aan de wbdbo-eis van 60 minuten voldaan.

Wanneer het gebouw wel in de directe nabijheid van andere gebouwen staat, dan geldt een eis van 30 minuten voor de dakconstructie, omdat de gevel zelf 30 minuten brandwerend moet zijn.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 178 (juni 2004).

Mag gemeente aanvullende eisen stellen voor het verlenen van gebruiksvergunning?

Vijf jaar geleden is een bedrijfscomplex gebouwd overeenkomstig de toenmalige bouwvergunningen. Nu eist de gemeente dat in het kader van een te verstrekken gebruiksvergunning allerlei aanvullende bouwkundige voorzieningen, zoals brand- en rookcompartimentering en een beperking van de vluchtafstanden. Het gebruik van het gebouw is niet veranderd ten opzichte van de oorspronkelijke bouwvergunningaanvraag. De gemeente zegt zich te beroepen op nieuw ontwikkeld beleid naar aanleiding van de publicatie Handreiking brandpreventiebeleid bestaande bouw van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK). Is het terecht dat de gemeente deze eisen stelt?

Nee. Op 17 juli 2003 heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) de circulaire MG 2003-19 uitgegeven (te downloaden via www.vrom.nl/docs/wonen/mg2003_19.pdf). Deze circulaire geeft aan dat de mogelijkheid zeer beperkt is voor gemeenten om bij bestaande gebouwen eisen te stellen die verder gaan dan het niveau bestaande bouw in het Bouwbesluit 2003.

De BZK-publicatie Handreiking brandpreventiebeleid bestaande bouw stelt voor bepaalde aspecten zoals rookcompartimentering en ontvluchting eisen aan bestaande gebouwen volgens het niveau nieuwbouw in het Bouwbesluit 2003. Deze eisen liggen fors hoger dan die voor bestaande bouw . De VROM-circulaire stelt overduidelijk dat gemeenten uitsluitend in specifieke gevallen eisen boven het niveau bestaande bouw mogen stellen. Generiek is dit niet meer mogelijk. Bovendien hebben de gemeenten hierin een motiveringsplicht. Die plicht houdt in dat de gemeente uitdrukkelijk moet motiveren waarom het noodzakelijk is dat aanvullende voorzieningen aan dat specifieke gebouw met die specifieke gebruiksfunctie moeten worden getroffen. Een simpele verwijzing naar de Handreiking is daarbij niet toereikend.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 176 (februari 2004).

Mag reductie op brandwerendheidseis ook bij woningen en woongebouwen worden toegepast?

In de utiliteitsbouw is het gebruikelijk de brandwerendheidseis van de hoofddraagconstructie met 30 minuten te reduceren indien de vuurbelasting aantoonbaar laag is (< 500 MJ/m2). Mag deze reductie ook worden toegepast voor woningen en woongebouwen?

Nee. Volgens Bouwbesluit 2003 mag deze reductie niet (meer) worden toegepast bij woningen en woongebouwen wanneer de hoogste vloer hoger ligt dan 7 m boven maaiveld. Wellicht wordt een en ander 'gerepareerd' bij de aanpassing van het bouwbesluit in 2010.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 173 (augustus 2003).

Welke brandwerendheidseis geldt voor scheidingswanden van zelfstandig te verhuren kantoorunits?

Een kantoorverzamelgebouw omvat vier zelfstandig te verhuren kantoorunits van elk 200 m2. Welke eis geldt er voor de scheidingswanden tussen deze vier kantoorunits?

Geen eis. De eisen in het Bouwbesluit 2003 zijn onafhankelijk van de wijze van exploitatie van het gebouw: vier units van verschillende huurders éf vier units van één huurder of eigenaar maakt dus niets uit voor het beoordelen van de aanvraag voor een bouwvergunning. Voor een kantoorfunctie met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1000 m2 mag worden volstaan met één brandcompartiment. Omdat het gehele gebouw 800 m2 omvat, is één brandcompartiment hier dus toegestaan en gelden er geen eisen voor de scheidingswanden. In het geval bijvoorbeeld dat elke unit een oppervlakte heeft van 400 m2 zijn dan twee brandcompartimenten van elk 800 m2 nodig. De scheiding tussen deze twee compartimenten (vloeren en/of wanden) moet dan 30 minuten brandwerend zijn wanneer de hoogste verdiepingvloer lager ligt dan 5 m en 60 minuten wanneer deze vloer hoger ligt dan 5 m.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 170 (februari 2003).

Welke brandwerendheidseis geldt voor de scheidingswand tussen kantoor en werkplaats?

Een nieuw te bouwen bedrijfsgebouw omvat een werkplaats (800 m2) en een kantoor (120 m2). Welke brandwerendheidseis geldt voor de scheidingswand tussen kantoor en werkplaats?

Geen eis. Volgens het Bouwbesluit 2003 mogen meerdere gebruiksfuncties in één brandcompartiment worden gecombineerd wanneer de grootte van het brandcompartiment (van beide functies samen) kleiner is dan de grenswaarde die voor beide functies afzonderlijk geldt. Hierbij is de zwaarste eis maatgevend. In dit voorbeeld geldt voor de industriefunctie (werkplaats) en de kantoorfunctie dezelfde eis: een maximale brandcompartimentsgrootte van 1000 m2 (zie Bouwbesluit 2003, tabel 2.103). Beide functies hebben samen een gebruiksoppervlakte van 920 m2, wat binnen één brandcompartiment is toegestaan (< 1000 m2). Wanneer er een functionele scheiding wordt aangebracht tussen deze twee functies, dan geldt hiervoor géén brandwerendheids- of wbdbo-eis (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 169 (december 2002).

Moeten koppelliggers, die kipstabiliteit verlenen aan de liggers, brandwerend zijn?

In een dakconstructie worden de stalen dakliggers tegen kip gesteund door een aantal koppelliggers. Deze dakliggers moeten een brandwerendheid hebben van 60 minuten. Moeten de koppelliggers nu ook 60 minuten brandwerend worden uitgevoerd?

In beginsel wel, maar het is niet altijd nodig. Wanneer de koppelliggers niet brandwerend worden bekleed valt de steunende werking in een vroeg stadium van de brand weg en kunnen de dakliggers eerder bezwijken. Het is echter toegestaan om in de brandberekening het effect van (bij brand) ontbrekende kipsteunen mee te nemen. In dat laatste geval moet de belastinggraad worden gebaseerd op de bij brand aanwezige belasting én op de maximale opneembare kipbelasting van de niet-gesteunde ligger bij kamertemperatuur (20 éC). Deze beschouwing leidt tot een hogere belastinggraad van de dakligger en dus een lagere kritieke staaltemperatuur. Er zal derhalve een grotere bekledingsdikte van de dakliggers nodig zijn. Deze meerkosten voor een duurdere bekleding vallen echter vermoedelijk ruimschoots lager uit dan de kosten van het bekleden van de koppelliggers.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 166 (juni 2002).

Hoe bepaal ik de profielfactor van een onbeklede raatligger?

NEN 6072 definieert de profielfactor P voor een onbekleed staalprofiel als de verhouding tussen het aan verhitting blootgestelde oppervlak en het volume van datzelfde profiel, beide per lengte-eenheid. Praktisch is dat gelijk aan de verhouding tussen de aan verhitting blootgestelde omtrek en de doorsnede van het profiel. Voor onbeklede raatliggers is de profielfactor P gelijk aan die van het oorspronkelijk profiel waaruit de raatligger is gesneden. Over de lengte van de raatligger varieert de temperatuur van het staal bij brand enigszins door de aanwezigheid van de raten. Uit een berekening blijkt dat ter plaatse van een raat de profielfactor iets kleiner is dan de gemiddelde profielfactor. Dit is gunstig, omdat daardoor de temperatuur in het staal dan ook lager is. De profielfactor ter plaatse van de volledige doorsnede is derhalve iets groter, resulterend in een iets hogere temperatuur in het staal. Maar gemiddeld genomen is de profielfactor van het basisprofiel correct.

Neem als voorbeeld een driezijdig verhitte raatligger opgebouwd uit een HEA 400. De profielfactor ter plaatse van de volledige doorsnede bedraagt P = 111 m 1 en ter plaatse van de raat P = 90 m 1. Het gemiddelde is P = 100,5 m 1. Voor een standaard HEA 400 geven de tabellen een waarde van P = 101 m 1.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 165 (april 2002).

Kan brandwerendheid van trekstangen worden berekend met NEN 6072 en verhoogd met brandwerende verf?

Is de brandwerendheid van trekstangen te berekenen met NEN 6072 en is de brandwerendheid hiervan zonodig te verhogen met brandwerende verf?

Ja. De profielfactor van een (massieve) trekstang is gelijk aan de verhouding tussen de omtrek en de oppervlakte:

[afb. a]

De correctiefactor voor trekstaven bedraagt = 1,0 volgens art. 10.3.3. Trekstaven hebben vanwege de ronde vorm een relatief grote massa en een lage profielfactor: een massieve staaf M40 heeft een profielfactor P = 100 m 1. Hierdoor is het vaak goed mogelijk dergelijke onderdelen met een brandwerende verf te behandelen om aan een brandwerendheidseis van 60 minuten te voldoen. Bij hogere eisen moet de dikte van de verflaag vaak fors toenemen.

Het computerprogramma Brawesta kent de optie trekstaven niet, maar dit gemis is met een truc eenvoudig te ondervangen. Kies in dat geval de optie vierzijdig verhitte ligger (waarvoor eveneens geldt = 1,0) en voer bij de belastingen de juiste verhouding in tussen de optredende belasting en de bezwijkbelasting (vertalen van de eenheid kN bij trekstaven naar kN/m bij liggers).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 154 (juni 2000).

Geldt een brandwerendheidseis van 30 minuten voor vrijstaand trappenhuis met rookvrije vluchtroute?

Voor de bouwconstructie van een kantoor geeft het Bouwbesluit in art. 2.9 een eis voor de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken. Deze eis bedraagt 30 minuten indien door het bezwijken van de bouwconstructie een rookvrije vluchtroute onbruikbaar wordt. Nu heeft het kantoor een vrijstaand trappenhuis, geheel van staal, waardoor een rookvrije vluchtroute voert (zie tekening). Het kantoor is zo ontworpen dat het trappenhuis zelfdragend is. Het trappenhuis blijft zelfs staan indien de rest van het kantoor instort. Moet in dit geval de onbeschermde staalconstructie 30 minuten brandwerend zijn of vervalt deze eis?

Het trappenhuis (als rookvrije vluchtroute) moet volgens het Bouwbesluit 30 minuten bruikbaar blijven. Het gaat daarbij om brand in één van de brandcompartimenten te beschouwen. Constructies waarvan het bezwijken leidt tot bezwijken van het trappenhuis moeten in dit kader 30 minuten brandwerend zijn. Brand én het trappenhuis maakt de vluchtroute al onbruikbaar en hoeft niet te worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor bordesvloeren in een hal die als rookvrije vluchtroute gelden voor vluchten uit een kantoor op de verdieping. Bij brand in het kantoor (rookcompartiment) moet de route over het bordes bruikbaar blijven, wat kan leiden tot een eis van 30 minuten voor de constructie van het kantoor. Bij brand onder het bordes wordt de route over het bordes onbruikbaar door de hoge temperaturen (lange tijd véér bezwijken van het bordes optreedt). Er geldt geen eis van 30 minuten voor deze bordesvloer.

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 142 (juni 1998).

Is de brandwerenheidseis voor een rookvrije vluchtroute niet altijd minimaal 30 minuten?

Het Bouwbesluit eist een brandwerendheid van 30 minuten voor constructiedelen waarvan bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute. Maar wanneer bijvoorbeeld een constructiedeel bezwijkt wordt de mogelijkheid tot ontvluchten toch bijna altijd afgesloten, bijvoorbeeld omdat het niet mogelijk is over het neergestorte materiaal te klimmen. Is de eis daarom niet altijd minimaal 30 minuten?

Nee. Via een rookvrije route, kan men veilig (rookvrij) naar buiten vluchten: de exacte definitie staat in art. 1, lid 1 van het Bouwbesluit. De rookvrije route begint bij de uitgang van het rookcompartiment van waaruit wordt gevlucht. Een rookvrije route voert dan ook uitsluitend door een rookcompartiment als het een rookvrije route is vanuit een ander rookcompartiment. Een gebouw dat bestaat uit één rookcompartiment - bijvoorbeeld een gebouw met één laag of een relatief klein gebouw met twee bouwlagen met voldoende vluchtuitgangen - heeft volgens deze definitie geen rookvrije routes. Dit laatste geldt ook voor een éénlaags gebouw met meerdere brandcompartimenten, die tevens rookcompartiment zijn, waarbij vanuit elk compartiment direct naar buiten kan worden gevlucht zonder door andere compartimenten te hoeven vluchten. Voor dergelijke gevallen is art. 2.9, lid 1 van het Bouwbesluit - met daarin de eis van 30 minuten brandwerendheid aan constructies die bij bezwijken een rookvrije route onbruikbaar maken - dus niet van toepassing. Het al dan niet onbruikbaar worden binnen een rookcompartiment van een vluchtroute naar buiten toe is in dit verband dus niet relevant.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 138 (oktober 1997).

Hebben betongevulde kokerliggers hetzelfde brandgedrag als betongevulde kokerkolommen?

In een staalconstructie worden als liggers kokerprofielen gebruikt, gevuld met ongewapend beton. Komt het gedrag van deze liggers bij brand overeen met het gedrag van dezelfde profielen (inclusief betonvulling), maar dan gebruikt als kolommen?

Nee. Er bestaat een duidelijk verschil tussen het gedrag bij brand van een ligger en van een kolom. Bij centrisch belaste kolommen, uitgevoerd als stalen koker- of buisprofielen gevuld met ongewapend beton, is het gunstige effect van de ongewapende betonvulling toe te schrijven aan twee factoren:

door het warmte-accumulerend vermogen van het beton warmt de stalen koker minder snel op;

doordat de temperatuur van de stalen buis hoger is dan die van het beton, neemt de stijfheid van de stalen buis sneller af dan die van de betonvulling. Daardoor treedt een herverdeling van de krachten op en neemt de drukkracht in het staal af, terwijl de drukkracht in het beton toeneemt.

Beide effecten leiden ertoe dat de brandwerendheid van een centrisch belaste buiskolom met een vulling van ongewapend beton bij een gelijkblijvende wanddikte en belastinggraad duidelijk hoger is ten opzichte van een ongevulde buiskolom. De Britse norm BS 5950 geeft een model waarmee dit effect in rekening is te brengen (zie literatuur).

Bij liggers uitgevoerd als koker- of buisprofielen met een vulling van ongewapend beton treedt wel het warmte-accumulerende effect op, maar kan de herverdeling van krachten niet optreden. Het beton kan zonder wapening immers geen buigtrekspanningen van de warmgeworden buis overnemen. Bij centrisch belaste kolommen kan het beton wel de drukkrachten van het staal overnemen. Daarom is het model uit de Britse norm niet van toepassing op ongewapende betongevulde buisliggers. Het is evenwel aannemelijk dat de betonvulling door de warmte-accumulatie een positief effect heeft op de brandwerendheid van de ligger. Echter door een gebrek aan bruikbare rekenmodellen op dit gebied kan er geen uitspraak worden gedaan over het werkelijke effect.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 143 (augustus 1998).

Is koppelwapening bij kanaalplaatvloeren ook noodzakelijk bij vloeren met een druklaag?

In een vloerconstructie van kanaalplaten met geïntegreerde liggers voor een kantoorgebouw moeten de kanaalplaten onderling zijn gekoppeld om de constructieve samenhang te waarborgen. Meestal wordt dat gedaan met gebogen staven (in kopsleuven) die over de geïntegreerde ligger heen lopen. De vloer krijgt echter een gewapende druklaag vanwege de gewenste schijfwerking. Is het dan toch nog nodig de gebogen koppelwapening aan te brengen?

Dat hangt af van de brandwerendheidseis, zie ook CUR/BmS-Aanbeveling 104. Voor een brandwerendheid van 30, 60 en 90 minuten is een koppelwapening niet nodig wanneer er een gewapende druklaag aanwezig is van minimaal 50 mm dikte en met een kruisnet van minimaal diameter5-200 mm. Voor een brandwerendheid van 120 minuten is zowel een gewapende druklaag nodig als een koppelwapening (per kanaalplaat twee staven diameter 10 mm met een minimale verankeringslengte van 600 mm).

Voor een brandwerendheid van 90 of 120 minuten moet de ligger tegen brand worden beschermd. Daarbij deze bescherming vanwege de verankering van de voorspanwapening in de kanaalplaat zijn gedimensioneerd op een staaltemperatuur van maximaal 650 °C.

Voor een brandwerendheid van 60 minuten ligt het aan de specifieke situatie of de ligger beschermd moet worden, zie ook Bouwen met Staal 169 (2002). Voor de brandwerendheid van de kanaalplaat is in dat geval geen bescherming van de ligger nodig. Een voorwaarde is natuurlijk dat de kanaalplaten (en dus de kopsleuven) in elkaars verlengde moeten liggen. Dit vraagt om een nauwkeurige uitvoering.

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 193 (december 2006).

Mogen er verschillende brandwerendheidseisen voor verschillende compartimenten worden gesteld?

Een kantoorgebouw bestaat uit een gedeelte met vier bouwlagen en op de begane grond een uitbreiding van één bouwlaag met een dakterras met speelruimte voor kinderen. De brandwerendheidseis van de hoofddraagconstructie van het gehele gebouw bedraagt 90 minuten. Deze eis mag worden gereduceerd met 30 minuten indien de (gemiddelde) (permanente) vuurbelasting lager is dan 500 MJ/m2. De permanente vuurbelasting van het lage gedeelte bedraagt 723 MJ/m2, maar de gemiddelde permanente vuurbelasting van het gehele gebouw is 316 MJ/m2. Mag de brandwerendheidseis van het gebouw nu alleen voor de hoogbouw worden gereduceerd of moet bij het bepalen van de vuurbelasting worden uitgegaan van het meest ongunstige bouwdeel?

Het is in principe mogelijk om twee verschillende eisen aan te houden voor de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie binnen één gebouw. Dit is echter uitsluitend toegestaan wanneer de beide delen van het gebouw constructief gezien onafhankelijk van elkaar functioneren bij brand. Met andere woorden: het bezwijken van het lage gedeelte mag er niet toe leiden dat daardoor het hoge gedeelte bezwijkt. Dat geldt ook omgekeerd: het bezwijken van het hoge gedeelte mag er niet toe leiden dat het lage gedeelte bezwijkt. Wanneer de constructieve opzet van het gebouw aan deze voorwaarde voldoet, dan gelden voor beide gebouwdelen andere eisen voor de hoofddraagconstructie.

In het voorbeeld is sprake van één gebouw, waarvan de draagconstructie als één zelfstandig geheel is ontworpen. In dit geval geldt voor elke bouwconstructie die tot de hoofddraagconstructie moet worden gerekend (zie NEN 6702, art. 3.33a) de eis van 60 minuten (90 minuten minus 30 minuten reductie) brandwerendheid met betrekking tot bezwijken. Reductie is mogelijk, omdat voor het bepalen van de vuurbelasting mag worden uitgegaan van de totale (gemiddelde) permanente vuurbelasting.

Gelet op de begripsomschrijving van een hoofddraagconstructie in art. 3.33 van NEN 6702 zou het logischer zijn geweest de reductieregel te koppelen aan de permanente vuurbelasting van elk brandcompartiment. In dat geval zou het brandcompartiment met de hoogste permanente vuurbelasting maatgevend zijn. Echter wanneer de beide gebouwdelen constructief ontkoppeld zijn (zoals hierboven is aangegeven), zou voor het hoge gedeelte een eis van 60 minuten gelden vanwege een reductie van 30 minuten gezien de lage permanente vuurbelasting. Voor het lage gedeelte zou geen eis gelden voor de brandwerendheid gelet op de geringe hoogte.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 194 (februari 2007).

Geldt er een brandwerendheidseis van 30 minuten voor het bruikbaar blijven van een rookvrije vluchtroute?

Een bloembollenkwekerij (industrieel gebouw, bezettingsgraadklasse B5) is opgedeeld in brandcompartimenten met elk een gescheiden staalconstructie (smelt-ankers aan weerszijden van de brandwanden). Bij het instorten van één brandcompartiment blijven daardoor de andere brandcompartimenten met hun brandwanden intact. Ook is door de indeling in brandcompartimenten er voor gezorgd dat vanaf elk punt binnen 40 m een buitendeur of een brandwerende deur naar een ander brandcompartiment wordt bereikt. De brandcompartimenten hoeven daardoor niet verder te worden opgedeeld in rookcompartimenten. Aan de staalconstructies worden dan ook geen constructieve brandveiligheidseisen gesteld. De brandweer eist echter op basis van Bouwbesluit 2003, art. 2.9 lid 1 toch een brandwerendheid van 30 minuten, omdat de rookvrije vluchtroute bruikbaar moet blijven. Is dat terecht?

Nee: dit is een verkeerde interpretatie van het voorschrift. Bouwbesluit 2003, art. 2.9 lid 1 ziet er op toe dat een vloer, trap of hellingbaan waarover een rookvrije vluchtroute voert en de bouwconstructies die deze vloer, trap of hellingbaan mede dragen gedurende tenminste 30 minuten blijven functioneren. Het instorten van de constructie in een brandcompartiment mag (binnen 30 minuten) niet leiden tot het instorten van de rookvrije vluchtroutes in andere rookcompartimenten (dus achter de rookscheiding). Het voorschrift moet dus zo worden gelezen dat die vloer, trap of hellingbaan nog kan worden belopen (bij brand in een ander rookcompartiment). In dit geval is de opdeling in rookcompartimenten gelijk aan die in brandcompartimenten en is de instorting van naastgelegen brandcompartimenten voorkomen met de dubbele staalconstructie en smeltankers.

De wetgever is zich er daarbij van bewust dat een binnenwand of een erboven gelegen vloer of dak het gebruik van de rookvrije vluchtroute onbruikbaar maakt. Dat is ook logisch want een brand met hoge temperaturen in de betreffende ruimte betekent namelijk dat die rookvrije vluchtroute toch al niet bruikbaar was. De brand woedt dan immers in het brandcompartiment waardoor de beschouwde rookvrije vluchtroute voert. Omdat er in beginsel twee rookvrije vluchtroutes beschikbaar zijn, is de regelgeving voorbijgegaan aan het moeten beschouwen van andersoortige blokkades van rookvrije vluchtroutes anders dan door instorting van bouwconstructies die vloeren, trappen of een hellingbaan dragen. Er moet dus worden geredeneerd vanuit een brandruimte en de bij die brandruimte behorende rookvrije vluchtroutes. Brand in een rookcompartiment maakt de vluchtroutes in dat rookcompartiment immers per definitie al onbruikbaar.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 194 (februari 2007).

Bij een brandwerendheidseis van 30 minuten wordt een reductie van 30 minuten toegekend. Geldt er geen eis meer?

In een project mag de brandwerendheidseis voor de constructie met 30 minuten worden verlaagd, omdat de permanente vuurbelasting lager is dan 500 MJ/m2. Nu geldt voor sommige onderdelen van de constructie een brandwerendheidseis van 30 minuten. Betekent dit nu dat er na de verlaging geen eis meer geldt?

Nee. De bedoelde verlaging geldt uitsluitend voor onderdelen van de hoofddraagconstructie. Indien hiervoor een eis van toepassing is, dan bedraagt deze eis minimaal 60 minuten. Na een reductie met 30 minuten resteert dus altijd een eis van minimaal 30 minuten.

De brandwerendheidseisen mogen bovendien niet met 30 minuten worden gereduceerd indien deze eisen bijvoorbeeld te maken hebben met het in stand houden van een rookvrije route of met een brandscheidende functie (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag; wbdbo). Een uitzondering geldt voor de woningbouw, waar de wbdbo-eisen wel met 30 minuten mogen worden gereduceerd bij een permanente vuurbelasting lager dan 500 MJ/m2.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 155 (augustus 2000).

Kan worden geeist dat een bestaand gebouw wordt aangepast als niet wordt voldaan aan de brandwerendheid?

Kan een gemeente afdwingen dat een bestaand gebouw wordt aangepast indien dit gebouw niet voldoet aan het Bouwbesluit, bijvoorbeeld ten aanzien van de brandwerendheid van de constructie?

Ja. Het Bouwbesluit maakt voor wat betreft het niveau van de eisen onderscheid tussen bestaande bouw en nieuwbouw. De eisen aan nieuwbouw ligger echter hoger. Wanneer door welke oorzaak dan ook het veiligheidsniveau van een bestaand gebouw minder wordt dan het niveau dat het Bouwbesluit eist voor bestaande bouw, kan de gemeente eisen dat er aanpassingen plaatsvinden. In bepaalde gevallen kan de gemeente de eigenaar hiervoor aanschrijven en beschikt de gemeente ook over dwangmiddelen.

Bij een verbouwing kan de gemeente op basis van het Bouwbesluit uitsluitend (nieuwbouw)eisen stellen aan die bouwdelen die onderwerp zijn van de verbouwing. Aan die bouwdelen die geen onderdeel van de verbouwing zijn (bijvoorbeeld de constructie), kan de gemeente uitsluitend een verbouwing (aanpassing) eisen of de gebruiksmogelijkheden van het gebouw inperken indien niet aan de eisen voor bestaande bouw wordt voldaan. Als dit laatste het geval is, dan is er volgens het Bouwbesluit sprake van nieuwbouw (verbouwen is immers nieuw bouwen!) en moet aan de strengere nieuwbouweisen worden voldaan! Volgens art. 406 van het Bouwbesluit hebben gemeenten echter de mogelijkheid bij een verbouwing vrijstelling te verlenen tot het rechtens verkregen niveau (dat in het verleden als voldoende is geaccepteerd).

Een voorbeeld is de verbouwing van een kantoorgebouw met vier bouwlagen, waarbij de constructie geen onderwerp van de verbouwing is (staalskelet en vloeren blijven intact). Indien aan de brandveiligheidseis voor bestaande bouw wordt voldaan (30 minuten) of aan het rechtens verkregen niveau (30 tot 90 minuten), mogen geen hogere eisen worden gesteld. Voldoet de constructie niet aan deze eis, dan moeten aanpassingen plaatsvinden om alsnog aan dit niveau (en dus niet aan het nieuwbouwniveau!) te voldoen.

Wanneer er bij bestaande bouw sprake is van een wijziging van de bestemming, dan zijn de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit van toepassing, bijvoorbeeld een wijziging van een pakhuis in appartementen. Er is in dat geval echter ook vrijstelling mogelijk tot het rechtens verkregen niveau.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 151 (december 1999).

Moeten de flenzen bij kolommen in kalkzandsteenwand worden bekleed bij 30 minuten brandwerendheid?

Voor een (dichte) gevel van een kantoorgebouw bedraagt de eis voor de brandwerendheid van binnen naar buiten 30 minuten om te voldoen aan de wbdbo-eis (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) tussen verdiepingen. De gevelkolommen zijn HE-profielen die alle zijn ingemetseld in een binnenspouwblad van kalkzandsteen. Uitsluitend de kolomflenzen zijn aan de binnenzijde nog zichtbaar. Moeten deze kolomflenzen brandwerend worden bekleed?

Nee. Brandproeven in Engeland (zie Wainman en Kirby) hebben aangetoond dat een ingemetselde I-vormige kolom minimaal een brandwerendheid bezit van 30 minuten bij een belastinggraad = 0,5. Zelfs als het lijf aan brand is blootgesteld hebben de 'koude' delen van de doorsnede nog voldoende draagvermogen. De voorwaarde is een zorgvuldige aansluiting van de gemetselde wand tegen de kolom om te voorkomen dat via spleten tussen de wand en het staalprofiel de afgeschermde delen van de doorsnede alsnog opwarmen. Let er op dat het staalprofiel bij een brandduur van 30 minuten een behoorlijke temperatuurgradient heeft, waardoor de kolom een zekere kromming gaat vertonen. De aansluitende wand moet deze kromming zonder scheurvorming kunnen volgen of de kolom moet vrij kunnen vervormen zonder dat er spleten ontstaan tussen kolom en wand.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 200 (februari 2008).

Kan de brandweer hogere brandpreventieve eisen stellen dan het Bouwbesluit aangeeft?

De brandweer kan dit slechts in zeer beperkte mate. De bevoegdheden van de brandweer volgen uit de Woningwet en de Gemeentewet.

- Art. 2 van de Woningwet geeft aan dat het Bouwbesluit technische voorschriften moet geven voor zowel het bouwen als de staat van bestaande bouwwerken. Art. 8 geeft aan welke voorschriften met het oog op de brandveiligheid in de gemeentelijke bouwverordeningen moeten dan wel kunnen worden opgenomen.

- Art. 151 van de Woningwet bepaalt vervolgens nog dat krachtens de Brandweerwet 1985 slechts voorschriften kunnen worden gegeven voor zover daarin bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet niet reeds is voorzien.

- Op grond van art. 168 van de Gemeentewet hebben gemeenten een verordenende bevoegdheid. Gelet op de reikwijdte van dat artikel en op art. 194 van de Gemeentewet biedt deze bevoegdheid evenmin een grondslag voor het stellen van (verdergaande) brandpreventieve voorschriften van bouwkundige aard door de brandweer.

Een en ander betekent dat de brandweer geen aanvullende technische voorschriften ten opzichte van het Bouwbesluit kan stellen. Opgemerkt wordt dat niet alle in het Bouwbesluit gegeven voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid in prestatie-eisen zijn geformuleerd. Voor niet tot bewoning bestemde gebouwen (uitgezonderd kantoorgebouwen, logiesverblijven of logiesgebouwen) en bouwwerken, geen gebouw zijnde, bevat het besluit momenteel deels functionele eisen. Zolang die functionele eisen niet zijn omgezet in prestatie-eisen, hebben B&W bij de beoordeling van een aanvraag om een bouwvergunning die betrekking heeft op een dergelijk gebouw, enige beleidsruimte of aan de functionele eisen is voldaan. Aangenomen wordt dat B&W advies aan de brandweer zullen vragen. Overigens moet worden bedacht dat in de toelichting op bedoelde functionele eisen een indicatie is gegeven omtrent de invulling van die eisen. In beroepszaken betrekt de rechter bij zijn oordeelsvorming in het algemeen ook de toelichting op de desbetreffende voorschriften.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 118 (juni 1994).

Welke brandeisen gelden er aan een gevel (tevens brandwand) die boven het dak van een lage hal doorloopt?

Een opslagcomplex bestaat uit twee brandcompartimenten met elk een oppervlakte minder dan 1000 m2: een hoge (17 m) en een lage bedrijfshal (10 m), beide zonder verdiepingvloeren, die direct aan elkaar grenzen en worden gescheiden door een compartimenteringswand. Welke eisen gelden er aan de gevel (tevens brandwand) van de hoge hal, die 7 m boven het dak van de lage hal doorloopt?

Tussen de twee brandcompartimenten moet een bepaalde wbdbo (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) aanwezig zijn (Bouwbesluit 2003, afd. 2.13). In principe bedraagt de wbdbo tussen twee brandcompartimenten 60 minuten. Bij brandcompartimenten op hetzelfde perceel geldt een uitzondering, namelijk 30 minuten, mits er geen vloer van een verblijfsgebied aanwezig is dat hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau: het aansluitend terrein bij de (hoofd)ingang, doorgaans het maaiveld.

In geval van brand moeten twee varianten worden bekeken, namelijk brand in de lage hal én brand in de hoge hal.

Bij brand in de lage hal is brandoverslag van het dak naar de gevel te voorkomen door enerzijds het lage dak brandwerend uit te voeren of anderzijds de gevel van de hoge hal brandwerend te maken. Voor deze situatie lijkt de optie van een brandwerende gevel het meest zinvol. De opgaande gevel moet dan minimaal 4 m boven het lage dak een brandwerendheid bezitten van 30 minuten van buiten naar binnen. Bovendien moet de bijdrage tot brandvoortplanting van de buitenzijde van de opgaande gevel tot een hoogte van 4 m boven het dak voldoen aan klasse 2 volgens NEN 6065 of klasse B volgens NEN-EN 13501-1.

Bij brand in de hoge hal geven de voorschriften geen eenduidige oplossingen. De brandwerende wand tussen beide brandcompartimenten moet in elk geval gedurende 30 minuten blijven functioneren en binnen 30 minuten mag er geen brandoverslag naar de lage hal optreden. Een mogelijke oplossing is dat de brandscheiding tot 0,75 m boven het dak van de lage hal zijn functie blijft behouden. Het gedeelte van de gevel daarboven mag met de constructie van de hoge hal naar binnen vallen. Onderzoek heeft namelijk voldoende onderbouwd dat een staalconstructie altijd naar binnen toe bezwijkt. De onderste 10,75 m van de hoge gevel (10 m hoogte lage hal + 0,75 bovendaks laten doorsteken) moet zo worden opgebouwd en gedetailleerd dat de wand bij instorten van de hoge hal gedurende 30 minuten blijft staan. Dat kan bijvoorbeeld door er voor te zorgen dat de optredende horizontale belastingen door de lage hal kunnen worden opgenomen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 207 (februari 2009).

Is het terecht dat de brandweer eist dat de kolommen van een fabriekshal brandwerend worden bekleed?

Een vrijstaande fabriekshal bestaat uit een brandcompartiment van 850 m2 en staat op 7 m van de perceelgrens. De staalconstructie bestaat uit geschoorde portalen. De brandweer eist dat de stalen kolommen brandwerend worden bekleed. Is dat terecht?

Nee. Een fabrieks- of productiehal is een industriefunctie. Voor een dergelijke gebruiksfunctie worden aan de kolommen uitsluitend eisen gesteld aan de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken indien de kolommen deel uitmaken van:

de hoofddraagconstructie bij brand en er tevens een vloer van een verblijfsgebied aanwezig is dat hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau;

een bouwconstructie van een rookvrije vluchtroute; of

een scheidingsconstructie waarvoor een eis geldt met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) en aan deze eis niet wordt voldaan ten opzichte van een identiek fictief gebouw dat spiegelsymmetrisch ligt ten opzichte van de perceelgrens.

De fabriekshal is vrijstaand en bestaat uit één brandcompartiment. Het bezwijken van een kolom kan daarom niet leiden tot het bezwijken van een niet in dit brandcompartiment gelegen bouwconstructie (vloer). Er is dus geen hoofddraagconstructie onder brandomstandigheden. De hal bestaat uit één rookcompartiment, zodat zich in de fabriek derhalve geen rookvrije vluchtroutes bevinden.

Tot slot gaat het hier om een vrijstaande hal, waarbij voor de brandveiligheid uitsluitend de weerstand tegen brandoverslag van belang is. Aangezien de kleinste afstand tot de perceelgrens meer bedraagt dan 5 m en de gebruiksoppervlakte kleiner is dan 1000 m2, kan ervan worden uitgegaan dat de afstand voldoende is voor een weerstand tegen brandoverslag van 60 minuten. Zie ook het artikel Nieuwe NEN 6068 biedt meer ruimte in Bouwen met Staal 181.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 210 (augustus 2009).

Is het noodzakelijk de aansluiting van een betongevulde buiskolom en een ligger bij brand te controleren?

De constructie voor een schoolgebouw met vier bouwlagen bestaat uit kanaalplaten op geïntegreerde liggers, ondersteund door stalen buiskolommen. Voor de brandwerendheid zijn de liggers aan de onderzijde bekleed en worden de kolommen gevuld met gewapend beton. In hoeverre is het noodzakelijk de aansluiting van de kolom en de ligger bij brand te controleren? De stalen kolom wordt immers zeer heet (het beton neemt de draagkracht over) en geeft zijn warmte door aan de ligger die op de kolom rust.

Het klopt dat de draagkracht van de staal-beton kolom bij hogere temperaturen voor een min of meer belangrijk deel door het beton wordt overgenomen. Maar het beton warmt ook op, waardoor de temperatuur van het staal lager is dan zonder beton (800-850 °C met beton en 950 °C zonder beton). Het beton heeft derhalve een vertragende werking op de temperatuurontwikkeling van het staal. Ook bij de ge°ntegreerde ligger zorgt het beton voor een vertragende werking. Het effect van geleiding via de stalen buis op de temperatuur van de beklede ligger is echter beperkt. Het is daarom niet aannemelijk dat de staal-beton kolom de stalen ligger veel zal opwarmen. De kritieke doorsnede van de ligger ligt doorgaans in het veld (kritieke temperatuur in de orde van 650 °C) en daar zal de invloed van eventuele extra opwarming via de oplegging verwaarloosbaar zijn.

Een ander punt van aandacht zijn de verbindingen. In de praktijk blijkt dat de verbindingen meestal niet maatgevend zijn bij brand. NEN-EN 1993-1-2 stelt daarom dat staal-beton verbindingen bij brand niet hoeven te worden gecontroleerd. De voorwaarden hiervoor zijn dat de bescherming van de verbinding gelijk is aan die van de aangesloten profielen °n dat de belastinggraad van de verbindingen kleiner of gelijk is aan die van de aangesloten profielen. Doorgaans is de bekleding op de ge°ntegreerde ligger ook op de verbinding aanwezig en hoeft de verbinding niet te worden gecontroleerd. Voor de inleiding van de kracht in de ligger naar de kolom (doorgaans uitsluitend een dwarskracht vanuit de ligger en geen buigende momenten) moeten de detailleringsregels NEN-EN 1994-1-2, art. 5.4 worden gevolgd.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 211 (oktober 2009).

Moet een trap in een vluchttrappenhuis brandwerend worden bekleed?

In een vluchttrappenhuis voor een kantoorgebouw zitten stalen trappen. Volgens de opdrachtgever moet de stalen trap brandwerend worden bekleed om te voldoen aan de eisen met betrekking tot de sterkte bij brand. Dat is toch niet nodig?

Strikt genomen heeft de opdrachtgever gelijk. Het Bouwbesluit stelt in art. 2.9, lid 1 een eis van 30 minuten aan de sterkte bij brand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute . Een stalen vluchttrap is een bouwconstructie en moet in principe dus voldoen aan art. 2.9, lid 1.

Met een beroep op art. 1.5 (gelijkwaardigheid) van het Bouwbesluit 2003 is echter de volgende argumentatie valide. Wanneer de trap zou bezwijken door brand in het trappenhuis zelf, dan zou de vluchtroute al veel eerder onbruikbaar zijn geworden door hitte en rook. Voor de trap zelf is de eis aan de sterkte bij brand daarom niet relevant. De trap zelf hoeft daarom niet te voldoen aan art. 2.9, lid 1.

Wanneer de trap wordt ondersteund door een bouwconstructie die buiten het trappenhuis ligt en binnen een brandcompartiment, dan moeten die ondersteunende bouwconstructie natuurlijk wel voldoen aan de sterkte-eisen bij brand. Dat geldt ook wanneer de stalen trap zelf de afscheiding vormt met een daaronder gelegen brandcompartiment.

Wel moet de stalen trap voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 in afdeling 2.12 (beperking van ontwikkeling van brand) én die in afdeling 2.15 (beperking van ontstaan van rook) voor de zijden van de trap die grenzen aan een rookvrije vluchtroute.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 213 (februari 2010).

Moet het staalskelet van een kantoor met drie bouwlagen een brandwerendheid hebben van 90 minuten?

Een vrijstaand kantoorgebouw met een staalconstructie van drie bouwlagen bestaat uit één brandcompartiment, waarvan de hoogste vloer op meer dan 5 m boven het meetniveau ligt. Volgens bouwtoezicht moet het staalskelet van dit kantoor een brandwerendheid tegen bezwijken hebben van 90 minuten? Is dat terecht?

Nee. Het Bouwbesluit stelt in art. 2.9, lid 4 voor dit gebouw weliswaar een brandwerendheidseis van 90 minuten aan de sterkte bij brand van de hoofddraagconstructie, maar het gebouw heeft geen hoofddraagconstructie! De definitie van hoofddraagconstructie staat omschreven in NEN 6702, art. 3.33a. Volgens deze norm heeft een gebouw van maximaal drie bouwlagen die in één brandcompartiment liggen en waarin geen subbrandcompartimenten voorkomen geen hoofddraagconstructie onder brandomstandigheden .

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 213 (februari 2010).

Door wie moet de kritieke staaltemperatuur en de dikte van de brandwerende bekleding worden uitgerekend?

Op de bestekstekeningen van een kantoorgebouw geeft het ingenieursbureau bij elk onderdeel van de draagconstructie aan wat de brandwerendheidseis is. Het wordt dan aan de aannemer of aan de leverancier van de brandwerende materialen overgelaten om de kritieke staaltemperatuur te bepalen en de dikte van de brandwerende bekleding (beplating of coating) te berekenen. Is dit een correcte werkwijze?

De beschreven werkwijze komt in de Nederlandse praktijk helaas vaak voor. Het ingenieursbureau rekent het dan niet tot zijn taak de constructieve veiligheid bij brand mee te nemen. Vaak wordt dit onderdeel zelfs contractueel uitgesloten. De constructeur laat dan het bepalen van de kritieke staaltemperatuur over aan andere partijen. Maar om dat goed te kunnen doen, is specifieke informatie nodig over de krachtsverdeling in de constructie, bijvoorbeeld om de belastinggraad van de onderdelen van de constructie te berekenen. Wanneer de kritieke temperatuur niet door het ingenieursbureau wordt opgegeven, doet de leverancier meestal een veilige aanname, waarbij in de meeste gevallen een te dure bekleding wordt aangebracht. Hierdoor betaalt de opdrachtgever uiteindelijk te veel voor zijn gebouw. Soms wordt echter een te hoge kritieke temperatuur aangehouden. Dat leidt mogelijk tot een scherpere offerte, maar ook tot een onvoldoende veilige oplossing.

Doorgaans levert het ingenieursbureau de informatie in de vorm van de hoofdberekening. Met de TGB 1990 was het nog relatief eenvoudig om op basis van de unity check en met een gemiddelde veiligheidsfactor voor elk element de belastinggraad te bepalen. Echter met de Eurocode werkt deze aanpak nog uitsluitend voor elementen belast op trek en op buiging zonder kip. Het is daarom het meest logisch dat de constructeur de kritische staaltemperatuur bepaalt. Hij kent immers de belastingen op en de krachtsverdeling in de constructie. Van een leverancier van brandwerende materialen mag niet worden verwacht dat hij de constructie kan uitrekenen.

In het Brandinformatiesysteem van Bouwen met Staal zie www.brandveiligmetstaal.nl staan onder kantoren/draagconstructies een aantal spreadsheets, waarmee op eenvoudige wijze de kritieke staaltemperatuur voor liggers en kolommen kan worden berekend volgens de Eurocode.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 214 (april 2010).

Waarom houdt NEN 6072 bij I-profielen geen rekening met het schaduweffect en NEN-EN 1993-1-2 wel?

De profielfactor brengt de invloed in rekening van de geometrie van het staalprofiel op de opwarming bij brand. Bij I-profielen speelt hierbij het zogenaamde schaduweffect een rol. Hiermee wordt bedoeld dat de warmtestraling naar het lijf en naar de binnenzijde van de flenzen gedeeltelijk wordt afgeschermd door de flenzen. Waarom houdt NEN 6072 bij het bepalen van de profielfactor geen rekening met het schaduweffect en NEN-EN 1993-1-2 wel?

Bij het opstellen van NEN-EN 1993-1-2 is het model voor het bepalen van de stralingsoverdracht (emissiefactoren) van de brandhaard in de oven naar de te beproeven constructie materiaalonafhankelijk gemaakt. Daardoor kwamen de berekeningsresultaten voor onbekleed staal niet goed meer overeen met de proefresultaten. Om deze afwijking te 'corrigeren' is voor onbeklede profielen het schaduweffect in de Eurocode in rekening gebracht met de correctiefactor ksh. Bij profielen met een profielvolgende bekleding is de warmtegeleidingscoëficiënt van de coating bepalend voor de opwarming, waardoor ondanks de aangepaste emissiefactoren de overeenstemming met de proefresultaten toch in stand bleef. Daarom speelt voor beklede profielen de correctiefactor ksh geen rol.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 216 (augustus 2010).

Waar in het Bouwbesluit staat dat er geen brandwerendheidseis geldt voor kantoren met een vloer lager dan 5 m?

Op een website lees ik dat er geen brandwerendheidseis geldt voor de hoofddraagconstructie van een kantoorgebouw waarbij de vloerhoogte lager is dan 5 m. In welk artikel van het Bouwbesluit staat dat aangegeven?

U kunt het nalezen op de online versie van het Bouwbesluit, www.bouwbesluitonline.nl. In artikel 2.8 en 2.9 wordt ingegaan op de brandwerendheidseis van de hoofddraagconstructie. De eisen zijn afhankelijk van de functie van het gebouw en de hoogte van het hoogste verblijfsgebied. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (januari 2009).

Klopt het dat bouten en moeren niet brandwerend hoeven te worden gecoat?

De hoofddraagconstructie van een bedrijfspand bestaat uit spanten met momentvaste verbindingen. Voor het verkrijgen van 60 minuten brandwerendheid zijn spanten behandeld met brandwerende coating. De bouten en moeren zijn niet behandeld met brandwerende coating. Volgens de leverancier is dat niet nodig omdat tijdens brand de bevestigingsmiddelen door opschuiming van de coating worden omkapseld, waardoor de verbinding brandwerend wordt beschermd. Klopt het dat de bouten en moeren niet brandwerend hoeven te worden gecoat?

De verbindingen in een staalconstructie hebben vaak een hogere capaciteit bij brand dan de constructiedelen. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat er in een verbinding veelal meer materiaal aanwezig is. Daardoor is een verbinding vaak wel 30 minuten brandwerend. Dit kan worden aangetoond met de Eurocode, NEN-EN 1993-1-2.

Onze ervaring is niet dat de boutkoppen geheel zullen worden ingekapseld tijdens brand. De boutkoppen zullen gedeeltelijk worden beschermd tijdens brand, maar niet helemaal. Bouten in sterkteklasse 8.8 of hoger zijn vervaardigd van koudgevormd staal dat bij hoge temperaturen eerder aan sterkte verliest. Boutkoppen en moeren moeten in principe dus brandwerend worden beschermd tenzij kan worden aangetoond (met bijlage D.1 van Eurocode NEN-EN 1993-1-2) dat ze de vereiste brandwerendheid halen.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (januari 2009).

Hoe moet de brandwerendheid van gietijzeren kolommen worden berekend?

In een gebouw uit 1890 dat wordt gerenoveerd staan enkele fraaie gietijzeren kolommen. Voor de constructie geldt een brandwerendheidseis van 90 minuten. De architect wil deze brandwerendheid graag realiseren met de kolommen in het zicht. Aangezien de belastinggraad van de kolommen erg laag is (zo n 10% van de capaciteit) willen we uitrekenen wat de brandwerendheid is van de onbeschermde kolommen. Als de onbeschermde kolom geen 90 minuten haalt willen we het restant realiseren met brandwerende coating. De berekening van de brandwerendheid van een stalen kolom is bekend, maar hoe berekenen we de brandwerendheid van gietijzeren kolommen?

De warmtegeleiding van gietijzer komt overeen met die van gewoon staal. Dit betekent dat de bij staal gebruikelijke aanname dat bij brand gerekend mag worden met een gelijkmatige temperatuurverdeling in een constructiedeel, ook voor gietijzer opgaat. De warmtecapaciteit van gietijzer, hoewel bij kamertemperatuur vrijwel gelijk aan die van staal, neemt echter minder snel toe bij toenemende temperatuur dan voor staal. Onder gelijke omstandigheden moet er dus op gerekend worden dat een gietijzeren profiel wat sneller opwarmt dan een stalen profiel. De temperatuur waarbij gietijzeren constructies bezwijken onder brandomstandigheden is niet wezenlijk anders dan die van stalen constructies. In de praktijk zal een onbeschermde kolom 30 minuten brandwerend zijn. Een brandwerendheid van 60 minuten kan worden gehaald als de kolom relatief licht is belast. Een praktische oplossing is de toepassing van een brandwerende coating. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat verschillende systemen van brandwerendheid (bijvoorbeeld onbeklede brandwerendheid en brandwerendheid coating) niet bij elkaar opgeteld kunnen worden. Een brandwerende coating moet bepaald worden op basis van de volledige vereiste brandwerendheid.

In het artikel van Käpplein en Frey is een rekentechnische relatie gelegd tussen temperatuur en draagkracht.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (februari 2009).

Mogen de in de kolom aangebrachte gaten ter voorkoming van drukopbouw bij brand worden opgevuld met kit?

Ik heb een vraag over betongevulde kolommen. In een betongevulde buis worden gaten aangebracht om bij brand de drukopbouw in de kolom te voorkomen. Mogen deze gaten met kit opgevuld worden?

In NEN-EN 1994-1-2, art. 5.3.2 staat aangegeven dat in elke betongevulde buiskolom aan de boven- en onderzijde een gat moet zijn aangebracht met een diameter van minimaal 20 mm. Daarnaast mag de afstand tussen de gaten niet groter zijn dan 5 m. De gaten zijn bedoeld voor het reguleren van het vochttransport tijdens brand, zodanig dat zich geen druk in de kolom tijdens brand kon opbouwen. Door het dichtstoppen van de gaten kan zich weer druk opbouwen. De gaten mogen dus niet worden afgedicht.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (november 2009).

Is er een website waar ik de kritieke staaltemperatuur van stalen liggers kan vinden?

De kritieke staaltemperatuur moet in principe uit een statische berekening volgen. Deze berekening kan door een constructeur of een brandveiligheidsadviseur worden gemaakt. Als er geen berekening is gemaakt moet een veilige inschatting worden gemaakt. In het Brandinformatiesysteem (www.brandveiligmetstaal.nl) zijn richtwaarden gegeven voor kolommen en liggers en wordt aangegeven hoe de kritieke staaltemperatuur kan worden berekend. In het boek Brand wordt dit ook uitgelegd.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (februari 2010).

Mag de brandwerendheid van 60 minuten betonvulling worden opgeteld bij 60 minuten brandwerende bekleding?

Is het toegestaan de brandwerendheid van een betongevulde stalen buiskolom (60 minuten) te verhogen tot 120 minuten door brandwerende bekleding (60 minuten) rondom de kolom aan te brengen?

Nee, het is niet mogelijk de brandwerendheden bij elkaar op te tellen. De totale brandwerendheid is niet de som van 60+60 maar lager. Als na 60 minuten de brandwerende bekleding is 'uitgewerkt' zal de temperatuur in de kolom zo hoog zijn dat niet nog eens 60 minuten brandwerendheid als gevolg van de betonvulling kan worden gehaald. Er zijn ook geen rekenmethoden bekend waarbij de brandwerendheid kan worden bepaald bij een combinatie van twee methoden.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (juli 2010).

Hoe moet de brandwerendheid van kolommen in de buitenlucht worden bepaald?

Een kantoorgebouw met een staalskelet heeft op de begane grond een terugspringende gevel. De kolommen op de begane grond staan daardoor in de buitenlucht. Hoe moet de brandwerendheid van deze kolommen worden bepaald?

Voor de brandwerendheid van een staalprofiel is de kritieke staaltemperatuur van belang: dat is de temperatuur waarbij de constructie bezwijkt. Deze temperatuur moet worden vergeleken met de werkelijke staaltemperatuur bij brand. De kritieke staaltemperatuur van een profiel hangt af van de benuttingsgraad: de verhouding tussen de optredende belasting bij de buitengewone belastingcombinatie brand en de rekenwaarde van de weerstand van het profiel bij normale temperatuur. De kritieke temperatuur moet worden bepaald door de constructeur. Op basis hiervan bepaalt de leverancier van de coating de benodigde laagdikte. Wanneer het profiel niet volledig wordt belast (lage benuttinggraad) kan een hogere temperatuur bij brand worden doorstaan. De kritieke temperatuur hangt dus niet af van de werkelijke temperatuur. De werkelijke temperatuur van de staalconstructie bij brand wordt vaak gerelateerd aan de standaardbrandkromme (constructie binnen) of aan een gereduceerde brandkromme (constructie buiten). Het hangt echter van de situatie af of er sprake is van een gereduceerde brandkromme. Wanneer de kolommen bijvoorbeeld 0,3 m voor de gevel staan en bij brand uitslaande vlammen om de kolom heen grijpen kan de brandbelasting in de orde van grootte van de standaardbrandkromme zijn. Bij grotere afstand van de kolommen tot de gevel bijvoorbeeld 1,8 m bij een galerijconstructie treedt direct vlamcontact niet op en is de gereduceerde standaardbrandkromme een veilig (conservatief) uitgangspunt.In plaats van een (gereduceerde) standaardbrandkromme kan ook een berekening met een natuurlijke brand worden gemaakt om de werkelijke temperaturen te bepalen.

De opwarming van het staal bij brand hangt af van de profielfactor. Voor onbeklede profielen is dat de verhouding tussen de omtrek van het staalprofiel en de oppervlakte van de staaldoorsnede. Bij beklede profielen is de profielfactor de verhouding tussen de binnenomtrek van de brandwerende bekleding en de oppervlakte van de staaldoorsnede.

De profielfactor is een maat voor de massiviteit van het profiel: een IPE warmt sneller op dan bijvoorbeeld een HEM. Bij een gereduceerde brandkromme is de temperatuurontwikkeling geringer. Het staalprofiel zal minder snel opwarmen en uiteindelijk ook een lagere maximumtemperatuur bereiken dan bij een standaardbrandkromme.

Wanneer de kritieke staaltemperatuur hoger is dan de werkelijke staaltemperatuur bij brand is de kolom voldoende brandveilig. Zie ook de publicatie Brand.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 222 (augustus 2011).

Hoe bereken ik de temperatuur in de staalprofielen bij een koolwaterstofbrand?

In een betonnen verkeerstunnel worden ook staalprofielen toegepast. De opdrachtgever eist dat de gehele constructie moet worden getoetst op een situatie met een koolwaterstofbrand. Hoe bereken ik de temperatuur in de staalprofielen bij een koolwaterstofbrand?

De berekening van de temperatuur van het staal bij een koolwaterstofbrand verloopt identiek aan de berekening bij een standaardbrand. Het enige verschil is dat bij een koolwaterstofbrand de temperatuur vrij snel oploopt tot de maximale waarde van zo n 1100 C. Het temperatuurverloop van een koolwaterstofbrand is gegeven in NEN-EN 1991-1-2, art. 3.2.3 (zie grafiek). Hiermee kan de temperatuurontwikkeling in het staalprofiel worden bepaald volgens NEN-EN 1993-1-2, art. 4.2.5.

Het is niet mogelijk de temperatuur in het staalprofiel rechtstreeks te bepalen, omdat de materiaaleigenschappen van het staal en van de eventuele bekleding afhangen van de temperatuur. Gebruikelijk is een zogenaamde tijdstapmethode, waarbij de temperatuur in stappen van maximaal 5 seconden wordt bepaald. Op tijdstip 0 worden de materiaaleigenschappen bepaald bij de starttemperatuur waarmee vervolgens een nieuwe staaltemperatuur wordt bepaald. Vervolgens worden de materiaaleigenschappen bij de nieuwe temperatuur bepaald, waarmee weer een nieuwe berekening kan worden uitgevoerd. Voor een berekening van de staaltemperatuur na 30 minuten zijn dus minimaal 30°(60/5) = 360 berekeningen nodig. De berekening is niet iteratief en kan daarom eenvoudig met een spreadsheet worden bepaald. Een alternatief is het gebruik van het gratis programma Ozone, dat is te downloaden via www.brandveiligmetstaal.nl (zoeken op Ozone).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 222 (augustus 2011).

Hoe moet de profielfactor voor een betongevulde buiskolom met brandwerende coating worden bepaald?

De brandwerendheidseis voor een vierkante buiskolom 300x300x6,3 mm in een kantoorgebouw bedraagt 90 minuten. De architect wil de kolom vullen met beton én een brandwerende coating aanbrengen. Hoe moet de profielfactor voor deze kolom worden bepaald?

Betongevulde kolommen kunnen niet worden berekend met profielfactoren. Deze methode gaat er namelijk van uit dat de doorsnede gelijkmatig opwarmt en dat is door de betonvulling zeker niet zo. Betongevulde kolommen moeten daarom worden berekend volgens NEN-EN 1994-1-2, zie ook het artikel van Twilt en Hamerlinck. De berekening is bijvoorbeeld uit te voeren met het programma Potfire (gratis via www.brandveiligmetstaal.nl bij 'tools').

Overigens is het effect van de betonvulling op de opwarming met een conservatieve vuistregel in te schatten door aan te nemen dat ongeveer 40 mm van de buitenste schil van de betonvulling thermisch wordt geactiveerd. De thermische massa van beton (pccc = 2400 . 1000 = 2,40 . 106 J/(m3K)) is ongeveer de helft van die van staal (paca = 4,68 . 106 J/(m3K)), zodat in plaats van een betonnen schil van 40 mm mag worden gerekend met een 20 mm grotere wanddikte. Voor een buis met een wanddikte van 6,3 mm daalt de profielfactor door de betonvulling dan van Am/V = 1/t = 1/(6,3 . 10-3) = 159 m-1 naar Am/V = 1/t = 1/(26,3 . 10-3) = 38 m-1. Deze vuistregel is echter alleen geldig voor profielen met afmetingen van 200 mm of meer. In Europees verband wordt gewerkt aan NEN-EN 13381-6 voor het testen van betongevulde buiskolommen met een coating. Deze norm komt binnenkort beschikbaar.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 226 (april 2012).

Moet de kritieke staaltemperatuur boven de gereduceerde standaardbrandkromme liggen?

Voor de berekening van een staalconstructie in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van de gereduceerde (of afgeknotte) standaardbrandkromme. Is de constructie voldoende brandwerend als de kritieke staaltemperatuur boven de gereduceerde standaardbrandkromme ligt?

De constructie voldoet aan de brandwerendheidseis als de werkelijke temperatuur in de constructie lager is dan de kritieke staaltemperatuur. De kritieke staaltemperatuur is de temperatuur in de constructie waarbij de constructie bezwijkt. De werkelijke staaltemperatuur wordt bepaald aan de hand van de gereduceerde standaardbrandkromme en is afhankelijk van de profielfactor. De profielfactor geeft de massiviteit van het profiel aan (een IPE warmt sneller op dan een HEM). Bij een gereduceerde standaardbrandkromme zal het staalprofiel minder warm zijn dan bij de standaardbrandkromme. Bij een massief profiel (lage profielfactor) zal de temperatuur duidelijk onder de gereduceerde standaardbrandkromme liggen. Als de kritieke staaltemperatuur hoger is dan de werkelijke staaltemperatuur is de constructie brandveilig, de kritieke staaltemperatuur hoeft dus niet perse boven de gereduceerde standaardbrandkromme te liggen.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (januari 2011).

Is het mogelijk minder brandwerende coating aan te brengen bij staalsoort S355 in plaats van S235?

De brandwerendheidseis van een kantoorgebouw met een staalconstructie is 60 minuten. De brandwerendheid van de stalen liggers wordt gerealiseerd met een brandwerende coating. De benodigde laagdikte is echter nogal groot waardoor de kosten van de coating hoog oplopen. We overwegen nu de staalconstructie uit te voeren in staalsoort S355 in plaats van S235 zodat de laagdikte kleiner wordt. Is dat mogelijk?

De benodigde laagdikte van de brandwerende coating is afhankelijk van de belastinggraad (de belasting bij brand gedeeld door de weerstand van het profiel bij normale temperatuur) en het gekozen profiel. Als er wordt gekozen voor een hogere staalsoort zal dit leiden tot een lagere belastinggraad. Hierdoor zal de kritieke staaltemperatuur (temperatuur waarbij de constructie bezwijkt) hoger zijn en dit leidt tot een kleinere laagdikte. Als de constructie door het toepassen van staalsoort S355 lichter wordt uitgevoerd zodat de belastinggraad ongeveer gelijk blijft zal de benodigde laagdikte ook ongeveer gelijk blijven.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (maart 2011).

Is het toegestaan de brandwerendheid van een 'open' parkeergarage te toetsen met de gereduceerde brandkromme?

Een parkeergarage met een staalconstructie heeft open gevels voor een natuurlijke ventilatie. Is het toegestaan de brandwerendheid van deze parkeergarage te toetsen met de (gereduceerde) brandkromme voor een externe brand volgens NEN-EN 1991-1-2, art. 3.2.2?

De (gereduceerde) brandkromme voor een externe brand is bedoeld voor constructies die in de buitenlucht staan en waar geen direct vlamcontact mogelijk is. Denk aan kolommen die vòòr een gevel staan of aan een vakwerkconstructie die vòòr de gevel loopt.

Bij een open parkeergarage is bij brand van een of meerdere auto s de kans bijzonder groot dat een vloerligger in direct contact komt met de vlammen. In dat geval is een gereduceerde brandkromme geen veilige aanname. Voor randliggers en kolommen kon in het verleden nog wel met een gereduceerde brandbelasting worden gerekend. Men ging er destijds namelijk vanuit dat een brand meestal beperkt bleef tot één auto en dat de brand niet zo snel zou overspringen op een ernaast geparkeerd voertuig. Inmiddels is gebleken dat dit scenario niet meer correct is.

Het beste is om de brandwerendheid van een open parkeergarage te toetsen met de richtlijn Brandveiligheid stalen parkeergarages. Met deze richtlijn kan op basis van Fire Safety Engineering het risico op brand worden geanalyseerd en het gedrag van de staalconstructies tijdens brand worden getoetst. De richtlijn is gratis te downloaden via www.brandveiligmetstaal.nl.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 230 (december 2012).

Is Brawesta nog te gebruiken met de komst van de Eurocode?

De huidige versie van Brawesta is gebaseerd op NEN 6072. Is Brawesta nog te gebruiken met de komst van de Eurocode?

Nee. Brawesta is in principe niet meer te gebruiken met de komst van de Eurocode. Er zal ook geen nieuwe versie worden uitgebracht. Als alternatief kunt u gebruik maken van het computerprogramma OZone. Dit gratis programma berekent de luchttemperatuur en de temperatuur in stalen profielen tijdens brand volgens NEN-EN 1991-1-2 en 1993-1-2. OZone is te downloaden via de website van ArcelorMittal: www.arcelormittal.com/sections/download-center/design-software/fire-calculations.html.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (juni 2012).

Mogen stalen liggers doorlopen van het ene brandcompartiment naar het andere?

Bij het ontwerpen van industriehallen gaan we uit van zelfstandig stabiele brandcompartimenten van maximaal 1000 m2. Hierdoor ontstaan er in de hal soms willekeurig geplaatste brandscheidingen. De brandscheidingen bestaan uit dakdragende kolommen met daarin een brandwerende wand geplaatst. De dakliggers lopen daarbij door vanuit het ene compartiment naar het andere. Is het toegestaan om de dakliggers door te laten lopen?

De achtergrond van de compartimentering is dat bij brand in een compartiment de overige compartimenten blijven staan. De liggers mogen in principe doorlopen, maar ze mogen natuurlijk geen constructiedelen van koude compartimenten meetrekken. Door het doorhangen van de liggers zullen er trekkrachten op de koude compartimenten ontstaan. Deze trekkrachten moeten worden opgenomen. Dit kan door middel van stabiliteitsverbanden. De grootte van de trekkrachten kan worden ingeschat door de bezweken constructie onder een hoek van 30 graden (vanaf het horizontale vlak) te laten hangen (membraanwerking) aan het koude compartiment.

---

Deze vraag is eerder beantwoord door de Helpdesk van Bouwen met Staal (januari 2008).

Kan een gemeente afdwingen dat een gebouw wordt aangepast indien dit gebouw niet voldoet aan het Bouwbesluit?

Kan een gemeente afdwingen dat een bestaand gebouw wordt aangepast indien dit gebouw niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012, bijvoorbeeld ten aanzien van de brandwerendheid van de constructie?

Ja. Het Bouwbesluit 2012 maakt voor wat betreft het niveau van de eisen onderscheid tussen bestaande bouw en nieuwbouw (met daartussen nog een derde niveau 'verbouw'). De eisen aan nieuwbouw ligger echter hoger. Wanneer - door welke oorzaak dan ook - het veiligheidsniveau van een bestaand gebouw lager wordt dan het niveau dat het Bouwbesluit 2012 eist voor bestaande bouw, kan de gemeente aanpassingen eisen. In bepaalde gevallen kan de gemeente de eigenaar hiervoor aanschrijven en beschikt de gemeente ook over dwangmiddelen.

Bij een verbouwing kan de gemeente op basis van het Bouwbesluit 2012 uitsluitend (nieuwbouw)eisen stellen aan die bouwdelen die onderwerp zijn van de verbouwing wanneer die onderdelen vòòr de verbouwing ook al voldeden aan de nieuwbouweis. In dat kader spreekt men van 'rechtens verkregen niveau', dat tussen nieuwbouw en bestaande bouw in ligt. Aan die bouwdelen die geen onderdeel van de verbouwing zijn (bijvoorbeeld de constructie), kan de gemeente uitsluitend een verbouwing (aanpassing) eisen of de gebruiksmogelijkheden van het gebouw inperken indien niet aan de eisen voor bestaande bouw wordt voldaan. Een voorbeeld is de verbouwing van een kantoorgebouw met vier bouwlagen, waarbij de constructie geen onderwerp van de verbouwing is (staalskelet en vloeren blijven intact). Indien aan de brandveiligheidseis voor bestaande bouw wordt voldaan (30 minuten) mogen geen hogere eisen worden gesteld. Voldoet de constructie niet aan deze eis, dan moeten aanpassingen plaatsvinden om alsnog aan dit niveau (= rechtens verkregen niveau) (en dus niet aan het nieuwbouwniveau!) te voldoen.

Wanneer er bij bestaande bouw sprake is van een wijziging van de bestemming, dan zijn de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012 uitsluitend van toepassing als het bestaande gebouw met de fictie van de nieuwe bestemming al aan de nieuwbouweisen voldeed.

Bij bijvoorbeeld een wijziging van een vierlaags pakhuis waarvan de hoogste vloer op 12 m ligt (met 60 minuten brandwerende constructie) in appartementen (waarvoor de nieuwbouweis 90 minuten is) blijft de eis van 60 minuten van kracht. Die 60 minuten zal immers zeker gehaald worden bij de lagere vloerbelasting bij gebruik als appartement. Die 60 minuten is meer dan het afkeurniveau van 30 minuten, dus aanpassing naar een hoger niveau is niet aan de orde. Zou het pakhuis slechts aan de (afkeur)eis van 30 minuten voor bestaande bouw voldoen, dan blijft die eis van kracht voor de appartementen (omdat daarvoor bij bestaande bouw dezelfde eis als voor het pakhuis geldt wanneer de hoogste verblijfsvloer < 13 m ligt).

Voor wanden en vloeren als (sub)brandcompartimentsscheiding is de situatie iets anders bij een verbouwing. De wbdbo-eis (weerstand tegen branddoorslag- en brandoverslag) is bij nieuwbouw in het algemeen 60 minuten en de minimumeis voor bestaande bouw is 20 minuten. Wordt er verbouwd dan geldt de voor verbouw specifieke eis van 30 minuten. Dit geldt echter alleen als alle branduitbreidingstrajecten die 3D moeten worden beschouwd onderwerp zijn van de verbouwing. Als dat niet het geval is dan bepaalt het traject met de laagste wbdbo dat geen onderwerp van de verbouwing is wat de wbdbo moet zijn. Dat laagste niveau moet uiteraard hoger zijn dan het afkeurniveau (20 minuten).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 236 (december 2013).

Mag een gebouw, met vier zelfstandige kantoorunits voor de verhuur, worden uitgevoerd als één brandcompartiment?

Bij het ontwikkelen van een plan voor een kantoorgebouw wordt gedacht aan een gebouw met vier zelfstandige kantoorunits voor de verhuur van elk een oppervlak van zo'n 200 m2. Mag dit gebouw worden uitgevoerd als één brandcompartiment?

Ja. Voor een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte van maximaal 1000 m2 op één perceel mag worden volstaan met één brandcompartiment. De wijze van exploitatie van een gebouw - huur of eigendom - is niet van belang voor het verkrijgen van de bouw-vergunning. Art. 2.83, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 stelt namelijk dat een kantoorgebouw of een gedeelte daarvan met een gebruiksoppervlak van ten hoogste 1000 m2 als een brandcompartiment mag worden aangemerkt. Er zijn echter volgens hetzelfde artikel, zevende lid, ruimten die wel als afzonderlijk brandcompartiment moeten worden aangemerkt. Deze ruimten zijn:

- een technische ruimte, waarin één of meer verbrandingstoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan 130 kW;

- een technische ruimte met een gebruiksoppervlak van meer dan 50 m2.

Opgemerkt wordt dat het mogelijk is dat het gebouw om andere redenen, bijvoorbeeld om te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het vluchten bij brand (art. 2.102 van het Bouwbesluit 2012), wel moet worden ingedeeld in meerdere subbrandcompartimenten.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 237 (februari 2014).

Is de eis voor een vloer, trap of hellingbaan niet altijd minimaal 30 minuten?

Het Bouwbesluit eist een brandwerendheid van 30 minuten voor een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute loopt. Is de eis voor een vloer, trap of hellingbaan daarom niet altijd minimaal 30 minuten?

Nee. Naar de letter van art. 2.10, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 - met daarin de eis van 30 minuten brandwerendheid voor een vloer, trap of hellingbaan waarover- of waaronder een vluchtroute loopt' - is dit in een éénlaags gebouw überhaupt niet aan de orde.

De beganegrondvloer bezwijkt immers niet, ook niet als de constructie erboven instort. Eisen aan de constructie van de begane-grondvloer stellen heeft bovendien weinig zin. De toelichting bij dit artikel geeft een wat afwijkende uitleg: 'bij brand in een subbrandcompartiment mogen de vluchtroutes buiten dit subbrandcompartiment niet binnen 30 minuten bezwijken.' Hoewel de toelichting formeel geen status heeft, geeft deze wel weer wat met het voorschrift bedoeld is, maar wat er feitelijk dus niet staat.

Bij de beoordeling van de 'vloer, trap of hellingbaan' moet voorts altijd worden gekeken naar brand in een ander subbrandcompartiment. Er is dus geen brand in het subbrandcompartiment waar de vluchtroute in ligt. Uiteraard moet wel brand in elk subbrandcompartiment afzonderlijk beschouwd worden. In een gebouw dat bestaat uit één subbrand-compartiment heeft deze eis dus geen betekenis, bijvoorbeeld bij een gebouw met één laag of een relatief klein gebouw met twee bouw-lagen met voldoende vluchtuitgangen. Dit laatste geldt ook voor een één- of tweelaags gebouw met meerdere subbrandcompartimenten waarvan de constructie ontkoppeld is zodat de subbrandcompartimenten onafhankelijk van elkaar kunnen bezwijken. In dat verband maakt het niet uit of vanuit elk sub(brand)compartiment direct naar buiten kan worden gevlucht of door andere sub(brand)compartimenten. Een ander voorbeeld is een bordesvloer in een industriehal. Ook hiervoor geldt de eis doorgaans niet, tenzij de bordesvloer zou bezwijken bij brand in een ander sub-brandcompartiment dan dat van de hal, waar de bordesvloer zelf in ligt (bijvoorbeeld de kantoren op de verdieping). Ook voor een stalen trap geldt de eis dus meestal niet om die reden. Voor dergelijke gevallen is art. 2.10, lid 1 van het Bouwbesluit dus niet van toepas-sing. Het al dan niet onbruikbaar worden binnen een subbrandcompartiment van een vluchtroute naar buiten toe is in dit verband dus niet relevant. De eis heeft uiteraard wel betekenis bij gestapelde subbrandcompartimenten.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 237 (februari 2014).

Bestaat er een limiet aan de kniklengte van kolommen bij de berekening op brand?

Voor de uitbreiding van een kantoor is er een ontwerp gemaakt waarbij de constructie, geheel zelfdragend, boven een bestaand magazijn komt te staan. De kniklengte van de nieuwe kolommen is 11 m. De grafieken in het CUR-SG-CS-rapport 6 gaan maar tot een kniklengte van 4,5 m. Bij het programma Brawesta is het wel mogelijk om een kniklengte van 11 m in te vullen. Bestaat er een limiet aan de kniklengte bij de berekening op brand?

Zowel Brawesta als CUR-SG-CS-rapport 6 zijn achterhaald. Tegenwoordig kan de brandwerendheid van betongevulde buiskolommen worden bepaald met NEN-EN 1994-1-2. De toetsingsmethode in deze norm geldt echter uitsluitend voor kolommen tot 4,5 m (zie bijlage H.5 van de norm). In Bouwen met Staal 222 is een in Frankrijk ontwikkelde, methode beschreven met een groter toepassingsgebied (kniklengte tot 30 x kolombreedte/-hoogte), waarvoor versie 3 van het softwarepakket Potfire beschikbaar is. In het artikel kan enige onderbouwing worden gevonden om een beroep op gelijkwaardigheid bij gebruik van die methode te motiveren. De brandwerendheid van stalen kolommen kan worden bepaald met NEN-EN 1993-1-2. De toetsingsmethode in deze norm kent geen restrictie voor de kniklengte. Berekeningstools zijn onder andere een Excel-bestand van Bouwen met Staal, Ozone en die van softwareleveranciers.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 238 (april 2014).

Mag bij een lage permanente vuurbelasting ook de brandwerendheidseis voor trappen worden verlaagd?

Artikel 2.10 van Bouwbesluit 2012 geeft aan dat voor woonfuncties (met een hoogste vloer lager dan of gelijk aan 7 m) en andere gebruiksfuncties de brandwerendheid van de bouwconstructie mag worden verlaagd met 30 minuten als de permanente vuurbelasting van het brandcompartiment minder dan 500 MJ/m2 bedraagt (ongeveer 26 kg vurenhout per m2). Mogen in dat geval de eisen uit het Bouwbesluit eveneens met 30 minuten worden verlaagd voor vloeren en trappen en voor constructies, waarvan bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een vluchtroute? Welke bouwdelen moeten voor het bepalen van de permanente vuurbelasting worden beschouwd?

De bedoelde verlaging van de brandwerendheid geldt uitsluitend voor de eisen met betrekking tot de brandwerendheid van de bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot voortschrijdend bezwijken (buiten het brandcompartiment). De andere eisen veranderen daardoor niet. De bepaling van de permanente vuurbelasting is geregeld in NEN 6090. De norm geeft aan dat de permanente vuurbelasting van een ruimte (brandcompartiment in dit geval) gelijk is aan de vuurbelasting van alle in die ruimte gelegen en die ruimte omvattende constructie-onderdelen, dak, vloeren en wanden, gedeeld door het netto vloeroppervlak van die ruimte. De omhullende constructie-onderdelen moeten volledig worden meegenomen (met uitzondering van het deel dat met de vereiste brandwerendheid meestal 60 minuten is afgeschermd, zie 4.1.1 van NEN 6090). Op grond van NEN 6090 blijven alle constructie-onderdelen in een verblijfsgebied buiten beschouwing die niet tot de bouwconstructie behoren (zoals niet-dragende binnenwanden en verlaagde plafonds), evenals de constructie-onderdelen die tot de afbouw moeten worden gerekend.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 239 (juni 2014).

Is het terecht dat de brandwerendheidseis mag worden gereduceerd bij toepassing van een sprinklerinstallatie?

Bij de bouw van een kantoorgebouw kon de brandwerendheidseis voor de bouwconstructie, die oorspronkelijk 90 minuten bedroeg, dankzij een sprinklerinstallatie worden gereduceerd tot 30 minuten. De voorwaarde was echter dat de sprinklerinstallatie moest zijn gecertificeerd bij CIBV (Certificatie Instelling voor Beveiliging en Veiligheid). Is het terecht dat de brandwerendheidseis mag worden gereduceerd en is dat vastgelegd in het Bouwbesluit of anderszins?

Het toepassen van sprinklers is een uiterst effectieve maatregel om de brandveiligheid te verhogen, met name in gebouwen met relatief veel brandbare materialen, zoals kantoren. De sprinklerinstallatie zorgt er voor dat de omvang van de brand beperkt blijft. De kans dat er (met enige vertraging) toch een volledig ontwikkelde brand ontstaat, is dankzij technische ontwikkelingen in sprinklerinstallaties zeer klein. Op basis van bijvoorbeeld een risicoanalyse moet worden vastgesteld of en in hoeverre reducties op prestatie-eisen van het Bouwbesluit 2012 verantwoord zijn. Zo moet bijvoorbeeld worden nagegaan wat de gevolgen zijn van het falen van de sprinklerinstallatie. De vraag moet beantwoord worden of een eis van 30 minuten toereikend is voor veilig vluchten en voor het veilig kunnen optreden van de brandweer. Het toepassen van een sprinklerinstallatie is een toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dat betekent dat de ontwerper aan moet tonen dat met de voorgestelde oplossing minimaal dezelfde veiligheid wordt bereikt. Het betekent verder dat het bevoegd gezag beslist over de onderbouwing van de oplossing en een eventuele reductie op de prestatie-eisen. Er bestaan hiervoor geen vaste regels. Het Bouwbesluit 2012 stelt bouwkundige eisen, zoals de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de constructie en de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen ruimten. Deze bouwkundige eisen hebben betrekking op de compartimentering en de vluchtwegen. Het toepassen van alternatieve oplossingen, zoals sprinklers, om het geëiste brandveiligheidsniveau te halen, wordt echter in het Bouwbesluit 2012 niet uitgesloten. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook andere zaken zoals de noodzaak van een certificaat in geval van toepassing van een sprinklerinstallatie (zie artikel 6.32).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 240 (augustus 2014).

Geldt de gereduceerde brandwerendheidseis ook voor de bovenste verdieping van een kantoor?

Van een kantoorgebouw ligt de vloer van de bovenste verdieping op 10,8 m + peil. Voor de draagconstructie van dit kantoor waarvan het bezwijken leidt tot voortschrijdend bezwijken (buiten het brandcompartiment), geldt een brandwerendheidseis van 90 minuten. Vanwege de geringe permanente vuurbelasting mag deze eis worden gereduceerd tot 60 minuten. Geldt deze gereduceerde eis ook voor de bovenste verdieping, dus de dakconstructie?

Wanneer het bezwijken van de dakconstructie geen voortschrijdende instorting veroorzaakt de onderliggende constructie bezwijkt dus niet bij het bezwijken van het dak dan hoeft de draagconstructie van het dak niet aan de eis van 60 minuten brandwerendheid te voldoen.

Er moet echter nog wel worden voldaan aan de eis met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). Deze wbdbo-eis bedraagt in dit geval ook 60 minuten. Deze eis geldt bij de trappenhuizen en kan afhankelijk van de constructie en detaillering resulteren in een Brandwerendheidseis voor (een deel van) de dakconstructie.

Wanneer het gebouw niet in de directe nabijheid van andere gebouwen staat, en er dus geen gevaar bestaat dat vlammen uit het dak of de gevel kunnen overslaan naar belendende gebouwen, dan wordt automatisch aan de wbdbo-eis van 60 minuten voldaan.

Wanneer het gebouw wel in de directe nabijheid van andere gebouwen staat, dan geldt mogelijk een eis van 30 minuten voor de dakconstructie naar een opgaande gevel of voor de gevel naar een spiegelgebouw bij de buren of een ander gebouw op eigen perceel. De eis aan dak respectievelijk gevel is 30 minuten brandwerendheid in verband met de wbdbo-eis van 60 minuten en heeft ook consequenties voor de constructie.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 243 (februari 2015).

Hoe moet ik de permanente vuurbelasting bepalen?

Regelmatig lees ik dat bij een project de brandwerendheidseis van de hoofddraagconstructie met 30 minuten mag worden verminderd wanneer de permanente vuurbelasting lager is dan 500 MJ/m2 (dat is ongeveer 26 kg vurenhout per m2). Maar hoe moet ik deze vuurbelasting bepalen?

De permanente vuurbelasting wordt bepaald volgens NEN 6090. In deze norm staat een tabel met de verbrandingswaarde (in MJ/kg) van een groot aantal bouwmaterialen. Van alle brandbare bouwmaterialen die in het gebouw worden toegepast moeten het gewicht worden vermenigvuldigd met de verbrandingswaarde en daarna worden opgeteld. Dit totaal moet worden gedeeld door het netto vloeroppervlak om de permanente vuurbelasting te vinden (in MJ/m2).

In principe moeten alle vergunningplichtige brandbare bouwdelen worden meegerekend, inclusief de omhullende constructies. Plafonds, leidingen, installaties en stopcontacten bijvoorbeeld die aanwezig zijn om te voldoen aan een eis in het Bouwbesluit 2012 moeten dus worden meegerekend. Alle onderdelen die pas in de afbouwfase worden aangebracht denk aan plinten, plafonds en binnendeuren hoeven niet te worden meegerekend. Alle voorzieningen die niet in de bouwaanvraag hoeven worden opgenomen (om aan een bepaalde eis te voldoen) gelden ook niet als permanente vuurbelasting.

In dit kader is het aan te bevelen om niet meer bouwdelen in de bouwaanvraag op te nemen dan strikt nodig is. Zo horen de niet-dragende scheidingswanden in een verblijfsgebied niet tot de permanente vuurbelasting, evenals de inventaris, het behang en de vloerbedekking. Echter niet-dragende scheidingswanden buiten een verblijfsgebied moeten wel worden meegerekend, ongeacht of ze strikt genomen nodig zijn om aan enig bouwvoorschrift te voldoen. Isolatie in scheidingsconstructies (gevels, daken, beganegrondvloer) moet ook worden meegerekend, tenzij kan worden aangetoond dat deze isolatie geen bijdrage kan leveren aan de brand. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor instortvoorzieningen (leidingen) in betonvloeren.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 245 (juni 2015).