Zum Hauptinhalt springen

I09: Evacuatieroute

FAQs over het onderwerp I Evacuatieroute

Is de eis van 30 minuten voor hoofddraagconstructie van tweelaags gebouw terecht?

Het ontwerp voor een gebouw voor fysiotherapie bestaat uit een staalskelet met twee bouwlagen met een verdiepingvloer op 3,25 m en is ingedeeld als één brandcompartiment en één rookcompartiment. De brandweer eist een brandwerendheid van de hoofddraagconstructie van 30 minuten. Is dat terecht?

Nee. Volgens Bouwbesluit 2003, art. 2.8 lid 1 in verbinding met art. 2.9 lid 4 geldt voor de gebruiksfuncties gezondheidszorg en sport geen brandwerendheidseis voor de hoofddraagconstructie voor dit gebouw. Het gebouw bestaat immers uit één rookcompartiment. Wanneer wordt voldaan aan de eis omtrent de lengte van de loopafstanden tussen een punt in een verblijfsgebied of een verblijfsruimte en een uitgang van het gebouw (het gebouw is tevens rookcompartiment), wordt er namelijk rechtstreeks vanuit het rookcompartiment gevlucht naar het aansluitende terrein. Het gebouw heeft dan geen rookvrije vluchtroutes. De eis van Bouwbesluit 2003, art. 2.8 lid 1 in verbinding met art. 2.9 lid 1 is dan niet van toepassing.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 196 (juni 2007).

Welke brandwerendheidseisen gelden er voor nieuwe trappenhuizen bij woongebouw?

In een bestaand woongebouw van zes bouwlagen moet aan de linkerkant een gecombineerde nieuwe entree en hoofdtrappenhuis worden geplaatst en aan de rechterkant een noodtrappenhuis. Welke brandwerendheidseisen gelden er voor de beide trappenhuizen?

Voor nieuw te bouwen hoofddraagconstructies geldt een brandwerendheidseis van 120 minuten, omdat de bovenste vloer hoger ligt dan 13 m boven het maaiveld. Een constructie is een hoofddraagconstructie wanneer bij bezwijken van die constructie er sprake is van voortschrijdend bezwijken.

Omdat de beide trappenhuizen naderhand worden toegevoegd, kan worden aangenomen dat het bezwijken van het hoofdtrappenhuis en van het noodtrappenhuis niet leidt tot het bezwijken van het woongebouw. De brandwerendheidseis voor hoofddraagconstructies is hier dus niet van toepassing.

Daarnaast gelden er eisen die te maken hebben met het veilig kunnen ontvluchten. De beide trappenhuizen gelden als brand- en rookvrije vluchtroutes volgens de eisen van het Bouwbesluit. Dat betekent dat deze vluchtroutes bij brand altijd 30 minuten in stand moeten blijven. Daarbij wordt aangenomen dat er in brand- en rookvrije vluchtroutes geen brand kan ontstaan. Daarom worden er eisen gesteld aan het materiaalgebruik in trappenhuizen (vrijwel geen brandbare materialen) én aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (van de omhulling van de trappenhuizen) vanuit het woongebouw naar de trappenhuizen. Ook mag het bezwijken van trappenhuizen niet leiden tot het onbruikbaar worden van bijvoorbeeld vloeren of trappen in brand- of rookcompartimenten in het woongebouw waarover wordt gevlucht; denk bijvoorbeeld aan een galerij. In dit geval is het bezwijken van de trappenhuizen niet aan de orde. Ze maken immers deel uit van de vluchtroute en mogen daarom niet voortijdig bezwijken. (Trappenhuizen die geen deel uitmaken van een brand- en rookvrije vluchtroute kunnen wel voortijdig bezwijken. In dat geval is het van belang of ze een (andere) vluchtroute wel of niet onbruikbaar maken.)

In dit voorbeeld moet de omhulling van beide trappenhuizen dus een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag hebben van minimaal 30 minuten. Wanneer de staalconstructie van die trappenhuizen binnen de omhulling ligt (koude zijde) dan geldt er geen brandwerendheidseis. Wanneer de staalconstructie zich aan de buitenkant bevindt (warme zijde) dan geldt een eis van 30 minuten om te garanderen dat de omhulling 30 minuten lang de vluchtroute beschermt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 179 (augustus 2004).

Mag een rookvrije vluchtroute door een verblijfsruimte voeren?

Ja, mits deze rookvrije vluchtroute geen brand- en rookvrije vluchtroute is. Een rookvrije vluchtroute is volgens het Bouwbesluit gedefinieerd als een van rook gevrijwaarde route, te beginnen vanaf de toegang van een rookcompartiment, waarlangs het aansluitende terrein kan worden bereikt (over vloeren, trappen of hellingbanen) zonder gebruik te hoeven maken van een sleutel. Hierbij mag worden gevlucht door een ander rookcompartiment, waarbij ook mag worden gegaan door een verblijfsruimte in dat andere rookcompartiment.

Vluchten door een verblijfsruimte is echter niet toegestaan indien dit een brand- en rookvrije vluchtroute is. Immers een brand- en rookvrije vluchtroute is een van brand gevrijwaarde rookvrije vluchtroute die uitsluitend mag voeren door verkeersruimten.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 160 (juni 2001).

Is de brandwerenheidseis voor een rookvrije vluchtroute niet altijd minimaal 30 minuten?

Het Bouwbesluit eist een brandwerendheid van 30 minuten voor constructiedelen waarvan bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute. Maar wanneer bijvoorbeeld een constructiedeel bezwijkt wordt de mogelijkheid tot ontvluchten toch bijna altijd afgesloten, bijvoorbeeld omdat het niet mogelijk is over het neergestorte materiaal te klimmen. Is de eis daarom niet altijd minimaal 30 minuten?

Nee. Via een rookvrije route, kan men veilig (rookvrij) naar buiten vluchten: de exacte definitie staat in art. 1, lid 1 van het Bouwbesluit. De rookvrije route begint bij de uitgang van het rookcompartiment van waaruit wordt gevlucht. Een rookvrije route voert dan ook uitsluitend door een rookcompartiment als het een rookvrije route is vanuit een ander rookcompartiment. Een gebouw dat bestaat uit één rookcompartiment - bijvoorbeeld een gebouw met één laag of een relatief klein gebouw met twee bouwlagen met voldoende vluchtuitgangen - heeft volgens deze definitie geen rookvrije routes. Dit laatste geldt ook voor een éénlaags gebouw met meerdere brandcompartimenten, die tevens rookcompartiment zijn, waarbij vanuit elk compartiment direct naar buiten kan worden gevlucht zonder door andere compartimenten te hoeven vluchten. Voor dergelijke gevallen is art. 2.9, lid 1 van het Bouwbesluit - met daarin de eis van 30 minuten brandwerendheid aan constructies die bij bezwijken een rookvrije route onbruikbaar maken - dus niet van toepassing. Het al dan niet onbruikbaar worden binnen een rookcompartiment van een vluchtroute naar buiten toe is in dit verband dus niet relevant.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 138 (oktober 1997).

Geldt er een brandwerendheidseis van 30 minuten voor het bruikbaar blijven van een rookvrije vluchtroute?

Een bloembollenkwekerij (industrieel gebouw, bezettingsgraadklasse B5) is opgedeeld in brandcompartimenten met elk een gescheiden staalconstructie (smelt-ankers aan weerszijden van de brandwanden). Bij het instorten van één brandcompartiment blijven daardoor de andere brandcompartimenten met hun brandwanden intact. Ook is door de indeling in brandcompartimenten er voor gezorgd dat vanaf elk punt binnen 40 m een buitendeur of een brandwerende deur naar een ander brandcompartiment wordt bereikt. De brandcompartimenten hoeven daardoor niet verder te worden opgedeeld in rookcompartimenten. Aan de staalconstructies worden dan ook geen constructieve brandveiligheidseisen gesteld. De brandweer eist echter op basis van Bouwbesluit 2003, art. 2.9 lid 1 toch een brandwerendheid van 30 minuten, omdat de rookvrije vluchtroute bruikbaar moet blijven. Is dat terecht?

Nee: dit is een verkeerde interpretatie van het voorschrift. Bouwbesluit 2003, art. 2.9 lid 1 ziet er op toe dat een vloer, trap of hellingbaan waarover een rookvrije vluchtroute voert en de bouwconstructies die deze vloer, trap of hellingbaan mede dragen gedurende tenminste 30 minuten blijven functioneren. Het instorten van de constructie in een brandcompartiment mag (binnen 30 minuten) niet leiden tot het instorten van de rookvrije vluchtroutes in andere rookcompartimenten (dus achter de rookscheiding). Het voorschrift moet dus zo worden gelezen dat die vloer, trap of hellingbaan nog kan worden belopen (bij brand in een ander rookcompartiment). In dit geval is de opdeling in rookcompartimenten gelijk aan die in brandcompartimenten en is de instorting van naastgelegen brandcompartimenten voorkomen met de dubbele staalconstructie en smeltankers.

De wetgever is zich er daarbij van bewust dat een binnenwand of een erboven gelegen vloer of dak het gebruik van de rookvrije vluchtroute onbruikbaar maakt. Dat is ook logisch want een brand met hoge temperaturen in de betreffende ruimte betekent namelijk dat die rookvrije vluchtroute toch al niet bruikbaar was. De brand woedt dan immers in het brandcompartiment waardoor de beschouwde rookvrije vluchtroute voert. Omdat er in beginsel twee rookvrije vluchtroutes beschikbaar zijn, is de regelgeving voorbijgegaan aan het moeten beschouwen van andersoortige blokkades van rookvrije vluchtroutes anders dan door instorting van bouwconstructies die vloeren, trappen of een hellingbaan dragen. Er moet dus worden geredeneerd vanuit een brandruimte en de bij die brandruimte behorende rookvrije vluchtroutes. Brand in een rookcompartiment maakt de vluchtroutes in dat rookcompartiment immers per definitie al onbruikbaar.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 194 (februari 2007).

Is de eis voor een vloer, trap of hellingbaan niet altijd minimaal 30 minuten?

Het Bouwbesluit eist een brandwerendheid van 30 minuten voor een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute loopt. Is de eis voor een vloer, trap of hellingbaan daarom niet altijd minimaal 30 minuten?

Nee. Naar de letter van art. 2.10, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 - met daarin de eis van 30 minuten brandwerendheid voor een vloer, trap of hellingbaan waarover- of waaronder een vluchtroute loopt' - is dit in een éénlaags gebouw éberhaupt niet aan de orde.

De beganegrondvloer bezwijkt immers niet, ook niet als de constructie erboven instort. Eisen aan de constructie van de begane-grondvloer stellen heeft bovendien weinig zin. De toelichting bij dit artikel geeft een wat afwijkende uitleg: 'bij brand in een subbrandcompartiment mogen de vluchtroutes buiten dit subbrandcompartiment niet binnen 30 minuten bezwijken.' Hoewel de toelichting formeel geen status heeft, geeft deze wel weer wat met het voorschrift bedoeld is, maar wat er feitelijk dus niet staat.

Bij de beoordeling van de 'vloer, trap of hellingbaan' moet voorts altijd worden gekeken naar brand in een ander subbrandcompartiment. Er is dus geen brand in het subbrandcompartiment waar de vluchtroute in ligt. Uiteraard moet wel brand in elk subbrandcompartiment afzonderlijk beschouwd worden. In een gebouw dat bestaat uit één subbrand-compartiment heeft deze eis dus geen betekenis, bijvoorbeeld bij een gebouw met één laag of een relatief klein gebouw met twee bouw-lagen met voldoende vluchtuitgangen. Dit laatste geldt ook voor een één- of tweelaags gebouw met meerdere subbrandcompartimenten waarvan de constructie ontkoppeld is zodat de subbrandcompartimenten onafhankelijk van elkaar kunnen bezwijken. In dat verband maakt het niet uit of vanuit elk sub(brand)compartiment direct naar buiten kan worden gevlucht of door andere sub(brand)compartimenten. Een ander voorbeeld is een bordesvloer in een industriehal. Ook hiervoor geldt de eis doorgaans niet, tenzij de bordesvloer zou bezwijken bij brand in een ander sub-brandcompartiment dan dat van de hal, waar de bordesvloer zelf in ligt (bijvoorbeeld de kantoren op de verdieping). Ook voor een stalen trap geldt de eis dus meestal niet om die reden. Voor dergelijke gevallen is art. 2.10, lid 1 van het Bouwbesluit dus niet van toepas-sing. Het al dan niet onbruikbaar worden binnen een subbrandcompartiment van een vluchtroute naar buiten toe is in dit verband dus niet relevant. De eis heeft uiteraard wel betekenis bij gestapelde subbrandcompartimenten.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 237 (februari 2014).

Mag bij een lage permanente vuurbelasting ook de brandwerendheidseis voor trappen worden verlaagd?

Artikel 2.10 van Bouwbesluit 2012 geeft aan dat voor woonfuncties (met een hoogste vloer lager dan of gelijk aan 7 m) en andere gebruiksfuncties de brandwerendheid van de bouwconstructie mag worden verlaagd met 30 minuten als de permanente vuurbelasting van het brandcompartiment minder dan 500 MJ/m2 bedraagt (ongeveer 26 kg vurenhout per m2). Mogen in dat geval de eisen uit het Bouwbesluit eveneens met 30 minuten worden verlaagd voor vloeren en trappen en voor constructies, waarvan bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een vluchtroute? Welke bouwdelen moeten voor het bepalen van de permanente vuurbelasting worden beschouwd?

De bedoelde verlaging van de brandwerendheid geldt uitsluitend voor de eisen met betrekking tot de brandwerendheid van de bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot voortschrijdend bezwijken (buiten het brandcompartiment). De andere eisen veranderen daardoor niet. De bepaling van de permanente vuurbelasting is geregeld in NEN 6090. De norm geeft aan dat de permanente vuurbelasting van een ruimte (brandcompartiment in dit geval) gelijk is aan de vuurbelasting van alle in die ruimte gelegen en die ruimte omvattende constructie-onderdelen, dak, vloeren en wanden, gedeeld door het netto vloeroppervlak van die ruimte. De omhullende constructie-onderdelen moeten volledig worden meegenomen (met uitzondering van het deel dat met de vereiste brandwerendheid meestal 60 minuten is afgeschermd, zie 4.1.1 van NEN 6090). Op grond van NEN 6090 blijven alle constructie-onderdelen in een verblijfsgebied buiten beschouwing die niet tot de bouwconstructie behoren (zoals niet-dragende binnenwanden en verlaagde plafonds), evenals de constructie-onderdelen die tot de afbouw moeten worden gerekend.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 239 (juni 2014).

Klopt het dat een hal of een kantoorgebouw in bepaalde situaties geen beschermde vluchtroutes kent?

De brandweer stelt dat een relatief kleine hal of een laag kantoorgebouw geen beschermde vluchtroutes kent indien de maximale vluchtafstand minder is dan 30 m en de te overbruggen hoogte vanaf de kantoorverdieping minder is dan 4 m. Is dat inderdaad zo?

Ja, een beschermde vluchtroute begint bij de uitgang van het subbrandcompartiment van waaruit wordt gevlucht (wanneer er slechts één vluchtroute is). Om ervoor te zorgen dat mensen veilig kunnen vluchten, mag de loopafstand die men vanuit een willekeurig punt van een verblijfs- of gebruiksgebied door rook moet afleggen niet te groot zijn. De toegestane loopafstand is afhankelijk van de bezetting. Voor kantoren met hoge bezetting (> 1 persoon per 12 m2) geldt hiervoor een maximale (gecorrigeerde) loopafstand van 30 m, wat bij een loopsnelheid van 1 m/s overeenkomt met een vluchttijd van 30 s: dat is een tijd die redelijkerwijs met ingehouden adem kan worden gevlucht. Voor kantoren met normale bezetting (< 1 persoon per 12 m2) geldt een maximale (gecorrigeerde) loopafstand van 45 m; voor industriehallen met lage bezetting (< 1 persoon per 30 m2) een maximale (gecorrigeerde) loopafstand van 60 m.

Bij het bepalen van de loopafstand moet de afstand door een gebruiksgebied (bij weglating van alle bouwdelen die niet tot de (bouw) constructie behoren (zoals niet-dragende scheidingswanden) worden vermenigvuldigd met 1,5; de afstand door verkeersruimten met 1,0. Wanneer de hal slechts één verblijfsruimte heeft (en dus geen opdeling in kantoren), hoeft de factor 1,5 niet toegepast te worden.

Bij relatief kleine gebouwen, zoals in de vraag is aangegeven, is het denkbaar dat men vanuit elk punt in het gebruiksgebied binnen de maximale loopafstand het buitenterrein bereikt. In dat geval is er in de zin van het Bouwbesluit 2012 geen sprake van een beschermde vluchtroute, is er één (sub)brandcompartiment en kan er om die reden dus ook geen Brandwerendheidseis van 30 minuten worden gesteld aan de constructie.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 243 (februari 2015).