Zum Hauptinhalt springen

F05: Windlast

FAQs over het onderwerp F Windlast

Moet bij een nieuw bedrijfsterrein worden uitgegaan van een onbebouwde situtatie?

Op een nieuw ontwikkeld bedrijfsterrein is één van de eerste panden op het midden van het terrein een stalen hal. De constructeur beschouwt uitsluitend de eindsituatie van het bedrijfsterrein na enkele jaren en gaat voor het bepalen van de windbelasting uit van de situatie bebouwd . Bouw- en Woningtoezicht gaat hiermee niet akkoord, omdat zij de situatie tijdens en kort na de bouw als onbebouwd ziet. Wie heeft er gelijk?

Formeel geldt de situatie bij de bouwaanvraag en heeft de gemeente dus gelijk, omdat de situatie op dat moment onbebouwd is. Naar redelijkheid en billijkheid zou de gemeente echter de situatie over de gehele gebruiksperiode moeten beschouwen. NEN 6702 gaat uit van een referentieperiode van vijftig jaar (of in sommige gevallen van vijftien jaar). Deze referentieperiode is maatgevend voor het bepalen of iets bebouwd of onbebouwd moet worden gerekend. Formeel zou de constructeur voor de te verwachten onbebouwde periode van bijvoorbeeld drie jaar met onbebouwd moeten rekenen. Daarbij moet hij de reductiefactoren voor de kortere periode van drie jaar in rekening brengen en voor de rest van de periode de factoren voor bebouwd . Op de aanvrager rust wel de plicht aan te tonen dat de onbebouwde periode echt niet langer duurt dan die drie jaar. Daarvoor zullen harde bewijzen moeten worden overlegd, zodat de gemeente in een eventuele bezwaarprocedure door derden de verleende bouwvergunning ook staande kan houden.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 190 (juni 2006).

Klopt het dat de factor B in bijlage A.5 van NEN 6702 (vanaf 2001) wel is komen te vervallen, maar niet in bijlage A.4?

Art. 8.6.6.2 van NEN 6702 verwijst voor de vergrotingsfactor 1 evenwijdig aan de windrichting naar bijlage A.4 van deze norm en art. 10.5.3 verwijst voor de factor 2 naar bijlage A.5. Vanaf versie december 2001 van NEN 6702 is in bijlage A.5 de factor B komen te vervallen, terwijl in bijlage A.4 de factor B nog wel voorkomt. Is dat juist?

Ja. De formules voor de vergrotingsfactor bij de windbelasting evenwijdig aan de windrichting in bijlage A.4 van NEN 6702 zijn correct. Uitsluitend de formules in bijlage A.5 zijn bij de laatste wijziging van de norm aangepast. Bij controle op de uiterste grenstoestand moeten volgens bijlage A.4 voor de dempingsmaat D de volgende waarden worden aangehouden:

D 0,01 voor staalconstructies;

D 0,02 voor betonconstructies;

D 0,05 voor houtconstructies.

Bij staalconstructies bestaat deze demping voor een belangrijk deel door het onderling verschuiven van (bout)verbindingen dan wel door het verschuiven van wanden en/of vloeren in het staalskelet. Bij kale gelaste of voorgespannen staalconstructies zoals bruggen en masten kan de demping minder zijn en hiermee moet de ontwerper in kritische omstandigheden dan ook rekening houden. Waarden van D = 0,005 en zelfs D = 0,0025 zijn in die gevallen mogelijk!

Bij controle op gebruikstoestanden is een mogelijke overschrijding minder erg en kunnen voor gebouwen de waarden van bijlage A.5 worden aangehouden: D = 0,02 voor fe > 2 Hz en D = 0,01 voor fe < 0,01 Hz. Voor tussenliggende waarden mag rechtlijnig worden geïnterpoleerd.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 175 (december 2003).

Meerdere silo's staan op een balkrooster. Op welke windbelasting moet worden gerekend?

Een silo-complex bestaat uit veertig silo s (vier rijen met elk tien silo s). Deze silo s staan naast elkaar op een balkrooster dat weer op kolommen staat. Op welke windbelasting moeten de silo s en hun ondersteuningen worden berekend?

Voor een vrijstaande silo met een cilindervormige doorsnede geeft NEN 6702 aan met welke Ct-waarde rekening moet worden gehouden (bijlage A3, figuur A14). Deze Ct-waarde hangt af van de oppervlaktestructuur en van de waarde van het getal van Reynolds, indien het oppervlak als glad of als matig glad is te kenmerken. In alle andere gevallen geldt Ct = 1,2 (afb. 1).

De totale windbelasting op een vrijstaande silo wordt gevonden door de projectie loodrecht op de windrichting als oppervlakte te hanteren waarop de representatieve winddruk aangrijpt. De Ct-waarde is het resultaat van een sommatie van druk en zuiging die loodrecht op de gladde cilinder aangrijpt (afb. 2).

De vraag gaat echter over silo s die in twee richtingen dicht bij elkaar staan. Over de windbelasting op een dergelijke opstelling is in de literatuur nauwelijks informatie te vinden. P.J. Ponsford van het National Physical Laboratory in Engeland rapporteert over metingen die in 1970 zijn uitgevoerd aan een opstelling van vijf silo s op onderling korte afstanden, met tussenruimte van ongeveer 10-15 procent van de silodiameter (afb. 3). Uit de resultaten van deze metingen blijkt dat de totale belasting op de groep cilinders bij een dergelijke opstelling vergelijkbaar is met de totale belasting op een denkbeeldige rechthoek die wordt gevormd door de uitwendige begrenzing van de individuele elementen. Op individuele cilinders kan een belasting optreden die hoger is en overeenkomt met Ct = 1,4. De grootte van de belasting langs de omtrek van de silo s is vanzelfsprekend hoger; de verdeling van de belasting langs de omtrek is voor alle silo s anders, maar wijkt ook sterk af voor wat betreft de verdeling ten opzichte van de vrijstaande cilinder. De totale horizontale belasting op de onderzochte groep van vijf cilinders zal minimaal gelijk zijn aan de som van de optredende druk en zuiging én de wrijving langs beide zijvlakken en langs de bovenzijde:

Fh;tot = ub h Ct pw + 2 ud h Cf pw+ ub ud Cf pw

Hierin is:

ub = uitwendige breedte;

ud = uitwendige diepte;

h = hoogte en geldt:

Ct = 1,20 en Cf = 0,04.

Bij een opstelling van bijvoorbeeld vijf cilinders in twee richtingen zullen de silo s in het middengebied slechts beperkt worden belast door de wind. Het maken van koppelingen tussen de silo s is sterk aan te bevelen om op deze manier de stabiliteitsreacties over alle silo s te verdelen en om niet voorziene lokale krachten over zoveel mogelijke elementen te kunnen verdelen (afb. 4). De reden hiervoor is dat de bovenstaande aanname voor de optredende belasting is gebaseerd op een extrapolatie van slechts één beschikbaar onderzoeksrapport. De krachtswerking die ontstaat door het koppelen van de cilinders hangt sterk af van onder meer: het aantal koppelingen, de verdeling ervan over de hoogte, de buig- en rekstijfheid van de koppelingen en de stijfheid van de ondersteuningen. Per geval moet worden bepaald wat de verdeling van de horizontale belasting over de verschillende silo s is. Ook moet bij het ontwerp rekening worden gehouden met belastingen die tijdens het montagestadium op de gehele constructie of delen van de constructie in aanbouw kunnen optreden. Om een correct beeld van de grootte en de verdeling van de optredende windbelastingen op een dergelijk silocomplex te krijgen is het sterk aan te bevelen een windtunnelproef uit te laten voeren.

[afb. a]

1. Ct-waarde afhankelijk van het Reynolds-getal.

[afb. b]

2. Windverdeling rondom een vrijstaande cilindervormige doorsnede (bij Ct = 0,7).

[afb. c]

3. Gemeten windbelastingen en meetopstelling door Ponsford (1970).

[afb. d]

4. Effect van koppelingen tussen de silo s op de ondersteuningsconstructie.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 171 (april 2003).

Mag hal als gesloten gebouw worden beschouwd als de grote overheaddeuren worden gesloten tijdens zware storm?

Een opslaghal heeft in één gevel enkele grote overheaddeuren, waarvan de openingen samen 6% van het geveloppervlak beslaan. Volgens art. 8.6.4.4 van NEN 6702 moet de hal dan als een open gebouw worden beschouwd. Nu worden deze overheaddeuren niet onder alle weersomstandigheden geopend en zeker niet wanneer het hard waait. Mag op grond hiervan voor het belastinggeval extreme wind worden uitgegaan van een gesloten gebouw?

Nee. Voor de gebruikelijke bedrijfsvoering van een industriehal is niet te garanderen dat dergelijke overheaddeuren gesloten blijven tijdens een zware storm (windkracht 8). De praktijk leert namelijk dat het bedrijfsproces dan nog gewoon doorgaat. Uitsluitend indien werkelijk wordt gegarandeerd dat de openingen onder extreme omstandigheden gesloten blijven, kan het gebouw als gesloten worden beschouwd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij dockboards, waarbij de dockdeuren pas open gaan wanneer de te laden of te lossen vrachtwagen is aangekoppeld en de dockdeuren elektronisch worden ontgrendeld, zoals bij koel- en vrieshuizen.

De maximale waarde voor de overdruk Cpi is overigens in mei 1997 verlaagd en over het algemeen niet maatgevend. En zeker niet bij kipgevoelige liggers, omdat de overdruk aangrijpt op de stabiliserende flens, waardoor de kipgevoeligheid afneemt.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 153 (april 2000).

Hoe moet de kraanbelasting worden gecombineerd met de windbelasting?

In een nieuw te ontwerpen fabriekshal moet een kraanbaan komen. Op welke wijze moet de kraanbelasting worden gecombineerd met de windbelasting?

De kraanbelasting zelf moet worden bepaald volgens NEN 2018. In de uiterste grenstoestand gelden de fundamentele belastingscombinaties volgens art. 6.4.2 van NEN 6702. Eén extreme veranderlijke belasting wordt hierbij gecombineerd met de overige momentane veranderlijke belastingen. De combinatiefactor bij wind is y = 0 volgens art. 8.6.1.2. In de belastingcombinatie met de extreme kraanbelasting is de windbelasting derhalve op 0 te stellen. In de belastingcombinatie met de extreme windbelasting moet worden gerekend met de momentane kraanbelasting, die volgens art. 8.4.4 afhangt van het belastingspectrum. De combinatiefactor y is hierbij gelijk gesteld aan de lastspectrumfactor volgens art. 3.2.3 van NEN 2018 (zie tabel).

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 146 (februari 1999).

Mag of moet de ruwheidslengte ook worden gebruikt voor het bepalen van de stuwdruk volgens NEN 6702, tabel A.1?

Om de windbelasting op een bouwwerk te bepalen, moet volgens NEN 6702, art. 8.6.2.3, bekend zijn of er sprake is van een bebouwde of een onbebouwde omgeving. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de ruwheidslengte. Mag of moet deze ruwheidslengte ook worden gebruikt voor het bepalen van de stuwdruk pw volgens de opmerking bij tabel A.1?

Nee. De ruwheidslengte volgens NEN 6702, art. 8.6.2.3, dient uitsluitend om te beoordelen of er sprake is van een bebouwde of een onbebouwde omgeving. Vervolgens moet de stuwdruk pw worden bepaald met behulp van tabel A.1 in bijlage A.

De opmerking bij tabel A.1 geeft alleen aan hoe de waarden in tabel A.1 kunnen worden berekend. Het gebruik van de berekende ruwheidslengte in plaats van de ruwheidslengte volgens de ongenummerde tabel in de opmerking levert onjuiste resultaten op. Dat komt, omdat de waarden voor u*, d_w en k ook afhangen van de gekozen ruwheidslengte.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 142 (juni 1998).

Geldt bij rechthoekige gebouwen met een dakhelling kleiner dan 10° ook de reductieregel tot Cpe = 0,4?

NEN 6702 geeft in figuur A.6 de windvormfactoren Cpe voor daken van rechthoekige gebouwen met een helling kleiner dan 10°.

[afb. a]

Hierbij geldt voor een dakbreedte gelijk aan de gebouwhoogte Cpe = 0,7 (windzuiging) en voor de rest van het dak Cpe = 0,4. Figuur A.7 geeft via een grafiek de windvormfactoren voor een willekeurige dakhelling.

[afb. b]

Uit de grafiek is voor gebouwen met een dakhelling kleiner dan 10° af te lezen Cpe = 0,7. Geldt voor dergelijke hellingen in de grafiek ook de reductieregel tot Cpe = 0,4?

Ja. Voor dakhellingen van minder dan 10° geldt de reductieregel ook bij toepassing van figuur A.7. De reductie geldt echter niet voor grotere dakhellingen. Het was duidelijker geweest indien in figuur A.7 een extra lijn was getekend voor Cpe = 0,4 in het gebied van dakhellingen tussen 10° en 10° (zie afbeelding).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 155 (augustus 2000).

De windbelasting op luifels en overkappingen volgens NEN 6702 is soms erg hoog. Is dit correct?

De windbelasting op luifels en overkappingen moet worden bepaald volgens NEN 6702. In sommige gevallen blijkt dat de windbelasting wel erg hoog kan oplopen. Is NEN 6702 wel in alle gevallen correct?

Voor luifels en overkappingen geldt dat de totale windbelasting wordt bepaald door het gecombineerde effect van druk en zuiging.

Voor luifels aan (hoge) gebouwen moet worden bedacht dat de wind die het gebouw treft omlaag wordt gedrukt. Hierdoor moet voor de bovenzijde van de luifel worden gerekend met de stuwdruk die hoort bij de hoogte van het gebouw en niet met de stuwdruk die hoort bij de hoogte van de luifel. Het waait immers beneden net zo hard als boven! Aan de onderzijde van de luifel moet rekening worden gehouden met een drukopbouw, waardoor een opwaarts gerichte belasting kan ontstaan.

Voor vrijstaande overkappingen geldt dat deze altijd kunnen worden geblokkeerd, bijvoorbeeld door treinen bij een stationsoverkapping en door vrachtwagens bij een tankstation. Er treedt dan een drukopbouw op onder de overkapping, terwijl tegelijk op het dak zuiging optreedt. Deze zuiging is het sterkst bij de stroomopwaarts gelegen rand, waarbij de netto belasting niet in het midden, maar dichter stroomopwaarts zal aangrijpen.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 150 (oktober 1999).

Welke windbelasting geldt bij gecompartimenteerd gebouw met brandmuren?

Welke windbelasting moet in rekening worden gebracht op gebouwdelen die tegen elkaar zijn gebouwd, bijvoorbeeld in het geval een gebouw met brandmuren is gecompartimenteerd?

Wanneer een gebouw om redenen van brandveiligheid is gecompartimenteerd, mogen de verschillende compartimenten toch als één gebouw worden aangemerkt. Wanneer na brand een compartiment is bezweken, moet van de resterende constructie worden beoordeeld of het bestand is tegen de reguliere windbelasting. Wanneer twee afzonderlijke gebouwen tegen elkaar worden gebouwd, moeten deze voor de windbelasting ook elk als afzonderlijk bouwwerk worden beschouwd.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 134 (februari 1997).

Wat is de relatie tussen het oppervlak van een dragend element en locale windvormfactoren?

Bij de bepaling van de lokale windfactoren volgens de figuren 28a, 28b en 28c van NEN 6702, hangen de waarden voor de windvormfactoren af van het oppervlak van het dak- of gevelelement. Dit oppervlak beïnvloedt echter niet de geometrie van het bouwwerk en dus ook niet het effect van de wind op het bouwwerk. Wat is nu de relatie tussen het oppervlak van het dragende element en de windvormfactor?

Volgens NEN 6702, art. 8.6.4.3, moet rekening worden gehouden met het effect van een verhoging van de windbelasting voor de dimensionering van onderdelen en hun bevestigingen. Omdat een windvlaag beperkt van omvang is, mag bij het groter worden van het aangeblazen oppervlak de windbelasting worden gereduceerd.

De winddruk is maximaal indien de wind loodrecht aangrijpt op het oppervlak. Aangezien de maximale winddruk altijd optreedt bij windvlagen, en vlagen altijd van richting veranderen, zal de maximale winddruk slechts gedurende korte tijd optreden (max. 15 seconden). Hiervoor geldt een windvormfactor van 0,8.

Windzuiging treedt normaal op door onderdruk aan de achterzijde van het bouwwerk als gevolg van de snelheid van de wind die langs het bouwwerk waait. De bijbehorende windvormfactor bedraagt 0,4. Daarnaast treden er om de randen van bouwwerken turbulentie op, waardoor de windzuiging plaatselijk sterk toeneemt. Dit effect is maximaal, indien de wind het voorvlak onder een schuine hoek aanblaast. Hierdoor kan de locale windvormfactor oplopen tot 2,5.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 124 (juni 1995).

Moeten gordingen worden berekend als 'hoofddraagconstructie' of als 'constructie-onderdeel'?

Gegeven een spant met stalen dakgordingen die over de spanten doorlopen. Moeten de gordingen in dat geval worden berekend als 'hoofddraagconstructie' of als 'constructie-onderdeel', dus met locale windvormfactoren en Cdim = 1 (NEN 6702, art. 8.6.3)?

Een constructie-onderdeel moet als een deel van de hoofddraagconstructie worden beschouwd, indien bezwijken van dit deel leidt tot het bezwijken van constructie-onderdelen die niet in de directe nabijheid van het bezweken onderdeel liggen.

Indien de bewuste dakgordingen constructief van essentieel belang zijn, bijvoorbeeld als kipsteunen voor het onderliggende spant, vormen de gordingen een onderdeel van de hoofddraagconstructie.

Ondanks het feit dat niet elk constructie-onderdeel direct binnen de definitie van hoofddraagconstructie past, betekent dit niet dat voor dergelijke onderdelen met de locale windvormfactoren dient te worden gerekend. Deze factoren zijn namelijk bedoeld voor onderdelen en hun bevestigingen (daken geveIbeplating) en dan met name voor de rand- en hoekgebieden.

Het bijgevoegde schema geeft aan wanneer er met locale windvormfactoren moet worden gerekend (zie ook NEN 6702, Figuur 28 en 29).

[afb. a]

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 118 (juni 1994).

Moeten de kolommen bij het wegvallen van één brandcompartiment worden berekend op buiging door windbelasting?

Een bedrijfshal zonder inpandige vloer bestaat uit twee brandcompartimenten. De inpandige brandscheiding is een brandwand met aan beide zijden een rij stalen kolommen. Bij het wegvallen van één compartiment worden de kolommen naast de brandwand van het overblijvende compartiment belast op wind. Moeten deze kolommen worden berekend op buiging door windbelasting?

Bouw- en woningtoezicht moet bij de vergunningverlening het gebouw en dus ook de staalconstructie beoordelen zoals het wordt gebouwd, dus met beide compartimenten intact. Dit betekent dat de brandwand als inwendige scheidingsconstructie op wind (overdruk) moet zijn berekend volgens NEN 6702, art. 8.6.4.4.

De hal heeft geen vloer die hoger ligt dan 5 m boven maaiveld. Er geldt daarom geen brandwerendheidseis voor de hoofddraagconstructie. Bovendien is er volgens NEN 6702 geen hoofddraagconstructie wanneer bij bezwijken van één brandcompartiment het andere brandcompartiment intact blijft bij de bijzondere belastingcombinatie brand . In deze bijzondere belastingcombinatie en de uitwerking daarvan volgens NEN 6702 art. 9.2 geeft de factor aan met welk percentage van de windbelasting rekening moet worden gehouden. Dit is 20% voor onderdelen van de hoofddraagconstructie en 0% voor andere constructies (van bijvoorbeeld een gevel of een brandwand).

In deze situatie hoeft bij het belastinggeval brand dus geen wind in rekening te worden gebracht (geen eis op grond van Bouwbesluit (2003) afdeling 2.2 (sterkte bij brand).

Op het moment dat door een brand een gedeelte van een gebouw is weggevallen, moet Bouw- en woningtoezicht beoordelen of het overgebleven bouwwerk nog voldoende sterk is. Welke berekening er moet worden gemaakt hangt mede af van de wijze waarop de eigenaar of gebruiker het gehavende gebouw in die staat nog wil gebruiken en voor hoe lang. Ten minste moet zijn voldaan aan het Bouwbesluit 2003 par. 2.1.2 (sterkte van een bestaande bouwconstructie), maar de gemeente kan in bijzondere situaties een hoger niveau voorschrijven (Woningwet art. 13). De TNO-rapporten 2004-CI-R0159 en 2008-CI-D-0015/B geven aan hoe daarmee kan worden omgegaan. Deze rapporten vormen de achtergrond van de voorschriften die bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 zijn gegeven. Het eerste rapport is te bestellen bij TNO Bouw en Ondergrond: tel. (015) 2763083. Het tweede rapport uit 2008 is nog in concept en komt pas beschikbaar wanneer NEN 8700 is afgerond.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 203 (augustus 2008).

Mag bij een ontwerplevensduur van 15 jaar de sneeuw- en windbelasting worden gereduceerd?

Voor een hal wordt uitgegaan van een ontwerplevensduur van 15 jaar. Volgens de TGB 1990 was het dan mogelijk de extreme waarde van de sneeuw- en windbelasting te reduceren. Is dit ook toegestaan volgens de Eurocode?

Ja. In de TGB 1990 gold voor alle soorten veranderlijke belasting één reductiefactor psi_t, afhankelijk van de referentieperiode en de momentaanfactor psi. Art. A1.1(2) van de Nationale Bijlage bij NEN-EN 1990 geeft een formule (met psi_0 als 'vervanger' van de oude momentaanfactor psi) voor het reduceren van de extreme waarde van de veranderlijke belasting voor een ontwerplevensduur anders dan 50 jaar. De formule geldt echter niet voor sneeuw- en windbelasting. De reductie van de sneeuwbelasting is geregeld in bijlage D van NEN-EN 1991-1-3 en die van de windbelasting in opmerking 4 en 5 van NEN-EN 1991-1-4, art. 4.2; beide inclusief de Nationale Bijlage. Wanneer de ontwerplevensduur meer bedraagt dan 50 jaar (bijvoorbeeld bij monumentale gebouwen) mag de belasting niet worden gereduceerd, maar moet deze juist worden verhoogd. De modificatiefactoren voor sneeuw en wind (c_prob) staan in onderstaande tabel.

Op het antwoord op deze vraag is een aanvulling verschenen. Deze vraag is te vinden in de categorie Windbelasting onder de naam Mag bij een ontwerplevensduur van 15 jaar de sneeuw- en windbelasting worden gereduceerd? (2).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 228 (augustus 2012).

Mag bij een ontwerplevensduur van 15 jaar de sneeuw- en windbelasting worden gereduceerd? (2)

Er is in de praktijk enige verwarring ontstaan door een te snelle interpretatie van de tabel bij vraag 303 in Bouwen met Staal 228 (2012) met de modificatiefactoren voor sneeuw en die voor wind (cprob). Wat wordt nu de correctiefactor op de windbelasting?

Bij sneeuw is de modificatiefactor gelijk aan de correctiefactor (verlaging of verhoging) op de sneeuwbelasting. Bij wind echter is de modificatiefactor cprob een correctiefactor (verlaging of verhoging) op de windsnelheid. Aangezien de windbelasting evenredig is met de windsnelheid in het kwadraat is de correctie op de windbelasting gelijk aan cprob in het kwadraat! Om misverstanden te voorkomen bevat de nieuwe tabel de correctiefactoren op de sneeuw- en windbelasting. Bij het berekenen van de correctiefactoren is de jaarlijkse overschrijdingskans p berekend met p 1/R. Hierin is R de referentieperiode in jaren.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 230 (december 2012).