Zum Hauptinhalt springen

F06: Sneeuwlast

FAQs over het onderwerp F Sneeuwlast

Moet de onderrand van een bovendakse ligger als een obstakel voor sneeuw worden gezien?

Het dak van een bedrijfshal, met een overspanning van 100 m, hangt aan -liggers (ruimtelijke vakwerkliggers) met een breedte aan de onderzijde van 6,0 m en een hoogte van 5,4 m. De beide onderranden van de -ligger zijn ronde buizen met een diameter 400 mm. Deze buizen liggen 200 mm boven het dakvlak. Moeten de onderranden van de liggers wel of niet worden beschouwd als een obstakel voor sneeuw volgens NEN 6702, bijlage B, art. f?

Ja, er moet rekening zijn gehouden met een obstakel. De sneeuwlast op het dak bedraagt minimaal 0,56 kN/m2. Uitgaande van een volumiek gewicht van 2 kN/m3 ligt er dus 0,28 m sneeuw en is er geen sprake van een spleet onder de buis. De buis is dus een obstakel. De ervaring leert dat het volumieke gewicht van sneeuw sterk varieert. Vers gevallen sneeuw kan zelfs een volumiek gewicht hebben van 1 kN/m3. Het is daarom een verstandige aanname om objecten die wel boven maar niet direct op het dak liggen als een obstakel te beschouwen volgens NEN 6702, bijlage B, art. f.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 197 (augustus 2007).

In NEN 6702 staan eisen voor de berekening van sneeuwopeenhoping. Zijn de eisen niet extreem hoog?

NEN 6702 vermeldt in bijlage B onder punt g op welke wijze sneeuwopeenhoping door opwaaien en afglijden in rekening moet worden gebracht bij twee aangrenzende bouwdelen met een verschillende hoogte. In de hieronder gegeven situatie geldt dan voor de vormfactor: Cw = (l1 + l2)/2h = (8 + 21,5)/(2 (6,5 3,5)) = 4,9 met een maximum van Cw = 4,0. Dit leidt tot een sneeuwbelasting prep = Cipsn;rep = 4 0,7 = 2,8 kN/m2. Deze belasting komt overeen met 1,4 m (samengeperste) sneeuw en is vijf (!) keer zo hoog als de belasting op de rest van het dak. Is de eis in NEN 6702 niet extreem hoog, gelet op de Nederlandse weersomstandigheden?

[afb. a]

Het onderdeel sneeuw in NEN 6702 is overgenomen uit Eurocode 1, dat weer is gebaseerd op ISO-norm 4355:1981. De achterliggende filosofie lijkt te zijn ingegeven door landen met zware sneeuwval (Duitsland, Frankrijk, Italië, Zwitserland). Deze regels zijn voor de Nederlandse situatie inderdaad nogal zwaar. De voorschriften over sneeuwbelastingen in NEN 6702 zijn echter wel wettelijk voorgeschreven. Met name voor gebouwen met een groot en hoog gedeelte ën een klein en laag gedeelte betekent dit dat er moet worden gerekend op een nogal forse sneeuw(opeenhopings)belasting. Deze situatie treedt bijvoorbeeld op bij een hal met een kantoortje of bij luifels. Overigens lijkt de maximale begrenzing van de sneeuwopeenhopingsfactor Cw 4,0 tamelijk arbitrair tot stand te zijn gekomen. Het achtergronddocument geeft zelfs voor landen als Italië en Frankrijk (waar de methode vandaan komt) factoren van 2,5 en 2,8. Deze waarden zijn in elk geval realistischer dan de in NEN 6702 gegeven waarde.

In de praktijk kan men soms in overleg met bouw- en woningtoezicht komen tot een voor Nederland meer realistische belastingaanname.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 135 (april 1997).

Welke waarde moet voor h worden genomen bij de berekening van de sneeuwophoping volgens NEN 6702?

NEN 6702 vermeldt in bijlage B onder punt g (zie blz. 96) op welke wijze sneeuwopeenhoping door opwaaien en afglijden in rekening moet worden gebracht bij twee aangrenzende bouwdelen met een verschillende hoogte. Indien het hoge bouwdeel een plat dak heeft, geldt voor de vormfactor voor extra sneeuwlast door afglijden Cg = 0. Soms heeft dit hoge bouwdeel tevens een hoge dakrand (bijvoorbeeld 0,5 m). In hoeverre wordt in dat geval de vormfactor voor het opwaaien positief beïnvloed, bijvoorbeeld door in de formule voor Cw te stellen: l2 = 0? Welke waarde moet voor h worden genomen? Is dat de hoogte tot de bovenzijde van de hoge dakrand?

Een hoge dakrand voorkomt afglijden van sneeuw, waardoor een gunstiger situatie wordt bereikt dan zonder dakrand. Echter voor een plat dak geldt al Cg = 0, zodat er volgens NEN 6702 geen voordeel geldt in geval van een hoge dakrand. Immers ook de regels voor het opwaaien van sneeuw houden geen rekening met een dakrand. Wat dit laatste betreft, is te betwijfelen of de formule voor Cw voor gevallen met grote verschillen tussen l1 en l2 voldoende is toegesneden; ook in het geval de dakrand laag is. Het is maar de vraag of het hoge dak op een afstand groter dan 2 à 3 maal de breedte van het lage dak nog wel een grote invloed heeft op de sneeuwopeenhoping door wind ter plaatse van de overgang tussen hoog en laag. Het begrenzen van de waarde voor l2 lijkt derhalve alleszins redelijk. Uitgaan van l2 = 0 is wellicht een al te optimistische benadering.

Het achtergronddocument bij Eurocode 1 noch NEN 6702 laat zich uit over de waarde van h bij dakranden. In principe is het dus ter beoordeling van de indiener en van de toetser van de bouwaanvraag. Het aannemen van h tot aan de bovenzijde van de dakrand is normtechnisch gezien niet fout.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 135 (april 1997).

Mag bij een ontwerplevensduur van 15 jaar de sneeuw- en windbelasting worden gereduceerd?

Voor een hal wordt uitgegaan van een ontwerplevensduur van 15 jaar. Volgens de TGB 1990 was het dan mogelijk de extreme waarde van de sneeuw- en windbelasting te reduceren. Is dit ook toegestaan volgens de Eurocode?

Ja. In de TGB 1990 gold voor alle soorten veranderlijke belasting één reductiefactor psi_t, afhankelijk van de referentieperiode en de momentaanfactor psi. Art. A1.1(2) van de Nationale Bijlage bij NEN-EN 1990 geeft een formule (met psi_0 als 'vervanger' van de oude momentaanfactor psi) voor het reduceren van de extreme waarde van de veranderlijke belasting voor een ontwerplevensduur anders dan 50 jaar. De formule geldt echter niet voor sneeuw- en windbelasting. De reductie van de sneeuwbelasting is geregeld in bijlage D van NEN-EN 1991-1-3 en die van de windbelasting in opmerking 4 en 5 van NEN-EN 1991-1-4, art. 4.2; beide inclusief de Nationale Bijlage. Wanneer de ontwerplevensduur meer bedraagt dan 50 jaar (bijvoorbeeld bij monumentale gebouwen) mag de belasting niet worden gereduceerd, maar moet deze juist worden verhoogd. De modificatiefactoren voor sneeuw en wind (c_prob) staan in onderstaande tabel.

Op het antwoord op deze vraag is een aanvulling verschenen. Deze vraag is te vinden in de categorie Windbelasting onder de naam Mag bij een ontwerplevensduur van 15 jaar de sneeuw- en windbelasting worden gereduceerd? (2).

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 228 (augustus 2012).

Mag bij een ontwerplevensduur van 15 jaar de sneeuw- en windbelasting worden gereduceerd? (2)

Er is in de praktijk enige verwarring ontstaan door een te snelle interpretatie van de tabel bij vraag 303 in Bouwen met Staal 228 (2012) met de modificatiefactoren voor sneeuw en die voor wind (cprob). Wat wordt nu de correctiefactor op de windbelasting?

Bij sneeuw is de modificatiefactor gelijk aan de correctiefactor (verlaging of verhoging) op de sneeuwbelasting. Bij wind echter is de modificatiefactor cprob een correctiefactor (verlaging of verhoging) op de windsnelheid. Aangezien de windbelasting evenredig is met de windsnelheid in het kwadraat is de correctie op de windbelasting gelijk aan cprob in het kwadraat! Om misverstanden te voorkomen bevat de nieuwe tabel de correctiefactoren op de sneeuw- en windbelasting. Bij het berekenen van de correctiefactoren is de jaarlijkse overschrijdingskans p berekend met p 1/R. Hierin is R de referentieperiode in jaren.

---

Deze vraag is eerder verschenen in de rubriek Vraag & Antwoord in Bouwen met Staal 230 (december 2012).